|
Stokers en Pindamannen (1911-1940)
De eerste vestiging van Chinezen in Nederland op grotere schaal begon in 1911, in het jaar van de havenstakingen in Amsterdam en Rotterdam. In 1911 was er in Amsterdam en Rotterdam een conflict uitgebroken tussen de reders en vakbonden voor zeelieden over beloning en werkomstandigheden. Dit liep uit op een staking.
Bij deze gelegenheid werden de Chinese zeelieden voor het eerste massaal door de reders naar de Amsterdamse en Rotterdamse havens gehaald om te worden ingezet op Nederlandse stoomschepen als stakingsbrekers. Ze waren afkomstig uit Engeland, waar al sinds het midden van de 19e eeuw Chinese zeelieden in de grote havens van Londen en Liverpool werkzaam waren.
De Chinese zeelieden werkten meestal als stokers en als zogenaamde ‘tremmers’, mannen die kolen van het ruim naar de stookruimte sjouwden. Ze dienden op de grote stoomschepen van westerse stoombootmaatschappijen. Vooral het werk onderdeks bij de ovens was zwaar en ongezond en werd alleen gedaan door mannen met de laagste economische vooruitzichten, die genoegen namen met de laagste beloning.
Stakingsbreker en bereid om voor een laag loon te werken: dit alles maakte de Chinese zeelieden zeer onpopulair bij de Nederlandse collega’s, en vakbonden. Publicaties van de vakverenigingen voor zeelieden uit die tijd spraken van het ‘gele gevaar’ gevormd door de “klasseonbewuste, taaie-sobere, aanpasvermogende, klimaatproof, werkwillige spaarzame Chinese koelie” (geciteerd door Wubben – zie overzicht bronnen - uit De Uitkijk 13 oktober 1911).
Vanwege de lage beloning bleven vele Chinese zeelieden in dienst, ook na de staking.
In de loop van de jaren twintig liep het aantal Chinese stokers steeds verder op. Bijna allen woonden in de tijd dat ze niet aangemonsterd waren in een van de zeemanslogementen (‘boarding houses’) van de Rotterdamse wijk Katendrecht en van de Amsterdamse volksbuurten rondom de Buitenbantammerstraat en de Nieuwmarkt. De woon- en levensomstandigheden van de mannen waren abominabel.
In het algemeen was het armoe troef in de huizen. Op zijn weblog (nu niet meer online) beschrijft geboren Katendrechter Alex Den Ouden, wiens vader enkele panden verhuurde, de situatie in zo’n huis, vol kakkerlaken en wandluizen.
De (Chinese) pensionhouder was meestal tevens de persoon, de ‘shippingmaster’, die voor de scheepvaartmaatschappijen complete Chinese bemanningen mocht werven. Een Chinese stoker of tremmer kon zonder de bemiddeling van de shippingmaster praktisch niet bij welk schip dan ook aanmonsteren. Dit systeem hield de zeeman in een ijzeren greep van de shippingmaster. Hij was wel gedwongen van zijn shippingmaster voedsel en onderdak af te nemen. Had hij tijdens zijn verblijf aan de wal geen geld, dan verstrekte de shippingmaster/logementhouder hem leningen voor voedsel en onderdak.
De afhankelijkheid van de shippingmaster voor werk en geld maakte hem kwetsbaar voor afpersing. Schulden die al maar opliepen in periodes van werkloosheid, belemmerden velen om vooruit te komen of nog wat geld naar de familie in het thuisland te sturen. Bij de slechte materiele omstandigheden kwam de verslaving aan opium, waarvan naar schatting meer dan de helft van de in de pensions verblijvende Chinezen slachtoffer was.
De Chinese gemeenschappen in Amsterdam en Rotterdam stonden geheel geïsoleerd van de Nederlandse maatschappij. Enkele families van logementhouders en shippingmasters wisten na verloop van tijd vrijwel de gehele markt te beheersen. De grootste groep was de zogenaamde Bo On groep. De groep bestond uit immigranten grotendeels afkomstig van het gelijknamige district, ten noorden van Hong Kong. De leiding was in handen van clan van de familie Ng (uitgesproken als ‘Oeng’). De invloed van de Bo On groep was als een piramide-vormig netwerk georganiseerd en oefende vooral over de Chinezen in de Amsterdamse haven een grote invloed uit.
 Kaartje van Zuidoost-China met aangegven waar de meeste van de Chinese immigranten vandaan kwamen: Bo-On, het district ten noorden van Hong Kong en de streek rondom de stad Wenzhou (in de provincie Zhejiang).
Een tweede, rivaliserende, groep stond bekend onder de naam De Drie Vingers. Deze beide grootste groepen hadden het regelmatig flink aan de stok met elkaar. In 1922 raakten ze met elkaar slaags gedurende de zogenaamde ‘tong-oorlog’, waarbij meerdere dodelijke slachtoffers vielen. Deze ‘oorlog’ was aanleiding voor de Nederlandse autoriteiten om een fors aantal Chinezen het land uit te zetten. Door manipulatie en vriendjespolitiek werden hiervan vooral de leden van De Drie Vingers het slachtoffer, zodat met hulp van de Nederlandse overheid de Bo On groep de volledige overwinning behaalde. Meer over de tong-oorlog is te vinden in de publicatie van Wubben (literatuuropgave).
De economische crisis aan het eind van de jaren twintig en de overgang van stoomvaart naar diesel-aangegedreven schepen veroorzaakte massale werkloosheid onder de Chinese zeelieden.
Als Chinees hadden zij geen enkel recht op ondersteuning van de Nederlandse staat. Deze zag als haar voornaamste taak deze mensen, nu zij in haar ogen geen nut meer hadden, goedkoop het land uit te werken. Echter, als een reddende engel diende zich een recente uitvinding aan, het pindakoekje. Deze eenvoudig te produceren lekkernij werd voor velen in korte tijd een enigszins redelijk middel van bestaan. In vele delen van ons land werden ‘pindachinezen’, met hun blikken trommels op de buik een bekend verschijnsel.

De pindaman (uit: Van Heek, 1936)
Naast de meestal uit de provincie Guangdong afkomstige zeelieden hadden zich intussen ook kleine handelaren, voornamelijk afkomstig uit de provincie Zhejiang (uit de omgeving van de stad Wenzhou; zie kaartje hierboven) in Nederland gevestigd, die zich eveneens vol op het venten van pindakoekjes stortten.
Lang profijt van deze nering hadden ze echter niet. Het was crisistijd, de nieuwigheid was van de pindakoekjes af, en er waren geruchten over onhygiënische toestanden bij de bereiding van de koekjes. IJverige dienaren van de staat waren bovendien van mening dat de pindakoekjesverkoop grensde aan bedelarij, en bovendien de plaatselijke middenstand beconcurreerde. (lees hierover verder in het veelzeggende Geledraak.nl hoofdstukje met krantenberichten uit die tijd)
De overheid maakte steeds duidelijker dat ze van de pindachinezen af wilden. Dit is de Nederlandse overheid ook grotendeels gelukt. Zowel goedschiks (de mogelijkheid aan te monsteren op Noorse tankschepen zonder de mogelijkheid weer in Nederland af te monsteren) als kwaadschiks (regelrechte deportatie van vooral ouderen en zieken) werd de uitzetting volvoerd.
Voor de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een verklaarde uitzettingspolitiek ten aanzien van in het land verblijvende Chinezen. Dat deze houding ten goede is veranderd mag blijken uit de nieuwe politiek om juist het Chinese karakter van sommige Chinese wijken te koesteren. Zie bijvoorbeeld de naambordjes in Nederlandse steden zoals Den Haag en Amsterdam anno 2007.
Lees verder over de Tweede Wereldoorlog...
Laatst gewijzigd op:
15-5-2010
|