|
|
|
|
Confucianisme, Een
inleiding in de leer van Confucius, door Karel L. van der Leeuw. Uitgeverij
Ambo, Amsterdam, 2006, € 12,70, 194 p., ISBN 9789026318054 Het boek is online
ondermeer te koop bij de Noord
Nederlandsche Boekhandel
Confucianisme - Karel L. van der
Leeuw
Volg je hart, dan word je menselijk
Boekrecensie door: Michel Dijkstra
Vraag aan tien willekeurige voorbijgangers wie de bekendste filosoof van
China is en de meeste antwoorden: ‘Confucius!’ Helaas is zijn leer tamelijk
onbekend. Met zijn inleiding Confucianisme vult sinoloog en filosoof Karel van
der Leeuw deze leemte op.
Het confucianistische denken is verfrissend. In tegenstelling tot veel
oude denktradities in Europa en India maakt het geen onderscheid tussen een
hogere en een lagere werkelijkheid. Of tussen een schijnwereld die we met de
zintuigen waarnemen en een echte wereld die we door geloof of mystieke
ervaringen kunnen bereiken. Voor de confucianist is er maar één werkelijkheid:
de wereld waarin we nu leven. En we moeten onze best doen om in déze wereld zo
goed mogelijk te leven. Deze uitleg van het confucianisme gaf Karel van der
Leeuw in een gesprek met filosoof Bruno Nagel in het tijdschrift Opinio. In zijn
boek maakt hij duidelijk waarom deze stroming tot op de dag van vandaag grote
invloed op het Chinese denken uitoefent.
'Confucianisme' is verschenen in dezelfde reeks als de inleiding
'Taoïsme. De weg om niet te volgen', door de Vlaamse filosofe Patricia de
Martelaere. In tegenstelling tot De Martelaere, die zich soms in persoonlijke
interpretaties van wijsgerige ideeën verliest, kiest Van der Leeuw voor een meer
objectieve benadering. Op een heldere manier beschrijft hij de achtergronden,
geschiedenis en de belangrijkste figuren uit het confucianisme.
Na het
lezen van het overzicht heb je een duidelijk beeld van deze complexe filosofie.
Ook ben je op de hoogte van de westerse receptie door de Verlichtingsfilosofen
Voltaire en Leibniz. Dit alles speelt de auteur klaar in nog geen tweehonderd
pagina’s.
Direct aan het begin van zijn boek schetst Van der Leeuw het contrast
tussen het westerse denken en het confucianisme. Confucius (Kong Fuzi) leefde
van 551 tot 479 voor Christus en was dus een tijdgenoot van Plato. Maar de
uitgangspunten van hun filosofieën zijn compleet verschillend. Terwijl Plato
zijn denken op de hogere, onzichtbare Ideeënwereld richt, stelt Confucius juist
de zichtbare wereld centraal. De confucianist denkt er geen ogenblik aan om zich
los te maken van het materiële. Hij steekt al z’n energie in het oefenen van de
aardse deugd.
Het confucianisme ontstond in een bewogen tijd uit de Chinese
geschiedenis, die bekend staat als de zogenaamde Lente- en Herfstperiode (722 v.
Chr. – 481 v. Chr.). Deze periode stond in het teken van verval omdat de hoge
cultuur verloren dreigde te gaan, er steeds meer en bloederigere oorlogen werden
gevoerd en de kloof tussen rijk en arm hoe langer hoe groter werd. Het is dan
ook niet verwonderlijk dat veel Chinezen het verleden idealiseerden.
Ze
verlangden terug naar de mythische rijken van vroeger, waarin grote voorspoed en
vrede heersten. Sommige intellectuelen probeerden het verval actief tegen te
gaan door zich als hoeders van de antieke cultuur op te werpen. Confucius was
één van hen. Hij ontwikkelde een deugdethiek met als doel om zowel het leven van
de individuele mens als de staatsinrichting in goede banen te leiden.
Centraal in Confucius’ gedachtegoed staat de ontwikkeling van de hoogste
deugd, menselijkheid oftewel 'ren' in het Chinees. Menselijkheid wil
zeggen dat je anderen met hetzelfde respect behandelt als jezelf. In de Lunyu,
het belangrijkste geschrift uit het confucianisme dat geheel uit gesprekken met
de meester bestaat, formuleert deze een definitie van menselijkheid: ‘Zigong
vroeg: ‘Is er een woord waarnaar men gedurende zijn gehele leven kan handelen?’
De Meester (Confucius) zei: ‘Dat is dan wel “wederzijdsheid”. Wat je voor jezelf
niet wilt, leg dat ook niet op aan anderen.’’
Hoe moeilijk het is om je menselijkheid te ontwikkelen, illustreert het
volgende, veelzeggende citaat van de meester: ‘Met vijftien jaar was ik
gericht op studie; met dertig stond ik stevig op mijn benen; met veertig
twijfelde ik niet meer; met vijftig begreep ik de opdracht van de hemel; met
zestig was het oor volgzaam; met zeventig volgde ik de wensen van mijn hart
zonder over de schreef te gaan.’
Spontaan je hart volgen is geen blinde
impulsiviteit, maar iets dat intensief en langdurig geoefend moet worden.
Vanzelfsprekend kan dit oefenen alleen in het contact met je medemens
plaatsvinden.
‘Menselijkheid’ wil overigens niet zeggen dat je iedereen op dezelfde
manier mag benaderen. Het streven naar morele verbetering van jezelf dient
namelijk aan te sluiten bij de natuurlijke verhoudingen binnen de maatschappij.
Confucius neemt de deugden die je nodig hebt voor de omgang met je ouders als
model voor het gedrag in de publieke ruimte. Deze deugden zijn de zorg en
tederheid van de ouders voor hun kinderen, de achting voor de oudere broer, maar
vooral het respect van de kinderen voor hun ouders.
Het hoogste confucianistische ideaal is dat van de wijze: een persoon die
zijn menselijkheid optimaal heeft ontplooid. Confucius benadrukt in zijn
gesprekken dat de wijze een zeldzaam individu is: zelf heeft hij er nog nooit
één ontmoet. Het lagere ideaal van de edele oftewel junzi is makkelijker te
verwezenlijken. De edele heeft door het oefenen van de deugden een zekere morele
perfectie bereikt en is het tegenovergestelde van de ‘kleine’ mens: ‘De edele
zoekt het in zichzelf, de kleine mens in anderen’. Een belangrijk kenmerk
van de edele is dat hij zich precies aan de rituelen van hoffelijke omgang met
anderen houdt. Op die manier brengt hij zijn innerlijke beschaving tot
uitdrukking.
Na de dood van Confucius werd zijn leer door de latere denkers Mencius
(371 v. Chr. -300 v. Chr.) en Xunzi (320 v. Chr. –235 v. Chr.) verschillend
uitgelegd. Mencius geloofde dat de mens van nature goed was. Xunzi was van
mening dat de mens een doortrapte egoïst is. Hij legde grote nadruk op streng
geordende samenleving onder leiding van een wijze vorst.
Van der Leeuw
beschrijft op boeiende wijze het verschil tussen deze twee denkers. Regelmatig
onderbreekt hij zijn betoog met prachtige, door hemzelf vertaalde citaten uit de
bronteksten. Door de humor en onderzoekende stijl zet Confucianisme bovendien
aan tot verdere studie. Langzaamaan ontdek je een eeuwenoude denkwijze over het
goede leven, vol fascinerende verschillen èn overeenkomsten met onze ethiek.
Michel Dijkstra (1982) is filosoof en journalist. Eerdere publicaties
verschenen in 'Bres', 'Filosofie Magazine' en het dagblad 'Trouw'. Daarnaast is
hij redacteur van het boeddhistische tijdschrift 'Vorm & Leegte'.
Laatst gewijzigd op:
22-4-2007
|
|
|
|