|
"Drakenkiezen" en de ontdekking van de Pekingmens
Drakenkiezen
Sinds Darwin zijn evolutietheorie publiceerde in het midden van de negentiende eeuw is er naarstig gezocht naar de ontbrekende schakel, de ‘missing link’, tussen de veronderstelde aapachtige voorouders van de mens en de moderne mens. Een belangrijke mijlpaal was de vondst op Java in 1891 door de Nederlandse arts en evolutietheorie-aanhanger Eugène Dubois van de Pithecanthropus erectus, wat letterlijk ‘rechtopgaande aapmens’ betekent. Dit fossiel zou later evenals de Pekingmens tot de soort Homo erectus worden gerekend. Een van de vele geleerden en amateurs die destijds eveneens naar sporen zochten van uitgestorven mensensoorten, was de Duitse arts K.A. Haberer. Hij bezocht Peking in 1899 tijdens de bokseropstand en was vooral geïnteresseerd in de fossiele botjes en tanden die in plaatselijke apotheken aangeboden werden. Deze zogenaamde ‘drakentanden’ waren populair bij de bevolking vanwege hun vermeende geneeskrachtige werking. In de collectie van Haberer bevond zich tussen vele andere zoogdierenfossielen van ongeveer een miljoen jaar oud, ook een merkwaardige fossiele kies, die duidelijk menselijke kenmerken vertoonde. Terug in Duitsland liet hij de tand in 1903 onderzoeken door de Duitse paleontoloog Max Schlosser. Deze stelde vast dat het om de fossiele overblijfselen ging van een onbekend mensachtig wezen. Deze conclusie trok de aandacht van de Zweedse geoloog Johan Gunnar Andersson (1874-1960), die na grondig speurwerk in de apotheken van Peking vanaf 1914 niet alleen een aanzienlijk aantal van dergelijke fossiele kiezen vond, maar er zelfs achterkwam waar ze gevonden werden: In de heuvels, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Peking, bekend onder de naam ‘kippenbottenheuvels’.
Zhoukoudian
In 1921, jaren na zijn ontdekkigen in de apotheken bezochten Andersson en zijn assistent, de paleontoloog Otto Zdansky (1894-1988), de aangeduidde plaats en brachten er vele fossielen aan het daglicht. Door een tip kwamen zij erachter dat bij het dorp Zhoukoudian (destijds meestal gespeld als ‘Choukoutien’) op een nabijgelegen heuvel, ‘drakenbottenheuvel’ (Longghushan) genaamd, in een grot de meest interessante fossielen te vinden waren. Het bleek een rijke vindplaats van fossiele overblijfselen van allerlei zoogdieren, zoals hyena’s, herten neushoorns en beren. Na enige dagen vond Zdansky een eerste menselijke kies. Hij hield de vondst echter jarenlang geheim, ook voor Andersson. In 1927 verliet Andersson de vindplaats. Een van de personen die door Anderssen en Zdansky van de vondsten op de hoogte gesteld werd, was een zekere Davidson Black een Canadese arts, hoogleraar en hoofd van de afdeling anatomie van het ‘Peking Union Medical College’ (PUMC), een opleidingsinstituut voor artsen in Peking. Hij organiseerde vanaf 1927 – een periode dat China verscheurd werd door burgeroorlog en geweld, de Warlordperiode - zelf grote opgravingen te Zhoukoudian.
Black wist te bereiken dat de opgravingen financieel ondersteund werden door de Amerikaanse Rockefeller Foundation, die samen met de Chinese Geologische Dienst te Zhoukoudian het Kenozoisch Onderzoeksinstituut opzette. Black zette bovendien ruim Chinese onderzoekers in en zorgde er voor dat de stukken in China bleven en niet verscheept werden naar Europa of de VS, zoals voorheen.
Sinanthropus pekinensis
Tegen het einde van 1928 waren er meerdere belangwekkende vondsten gedaan van menselijke tanden en kiezen en een haast complete menselijke onderkaak. Het geheel rechtvaardigde de conclusie, dat er sprake was van een nog onbekende mensensoort, door Black ‘Sinanthropus pekinensis’ gedoopt, hetgeen betekent ‘Chinamens van Peking’, ofwel Pekingmens.
In 1929 werd onder leiding van één van Blacks Chinese assistenten, die het inmiddels tot directeur van de opgravingen had gebracht, Pei Wenzhong, een prachtige in goede staat verkerende schedel gevonden. Na deze vondst werd de Pekingmens wereldberoemd. Het zoeken ging door. Na de dood van Black in 1933 - geveld door een hartaanval tijdens een van zijn nachtelijke preparatiewerkzaamheden - werd het wetenschappelijke werk tijdelijk uitgevoerd door de beroemde Franse jezuït en antropoloog Teilhard de Chardin. Vanaf 1935 kwam het werk onder leiding van de bekende antropoloog Dr. Franz Weidenreich (1873-1948) te staan. Vooral de jaren 1936 en 1937 waren zeer succesvol door de vondst van onder andere twee schedels en een onderkaak.
 Schedelkapje van de Pekingmens (afgietsel van orgineel gevonden in de jaren twintig van de twintigste eeuw; Beijing Capital Museum te Beijing; foto GeleDraak.nl 2007)
Behalve versteende botten zijn er bij de opgravingen ook een aanzienlijk aantal stenen werktuigen gemaakt door de Pekingmens, uit de grot tevoorschijn gekomen. Op grond van gevonden brandsporen nam men aan dat de Pekingmens ook in staat was vuur te maken. Tegenwoordig wordt deze conclusie echter niet meer algemeen ondersteund. Andere vondsten in 1929 gaven aan de Pekingmens een meer macabere reputatie: Aan de hand van de beschadigingen van de gevonden schedels en dijbeenderen lijkt het er sterk op dat zij het slachtoffer zijn geweest van kannibalisme. Deze theorie wordt bestreden door anderen, die menen dat de beschadigingen terug te voeren zijn op het werk van grote aasetende hyena’s, zelf een van de meest voorkomende fossielen gevonden in de grot. De controverse hierover is nog niet opgelost.
Tegen het einde van de jaren dertig van de twintigste eeuw hadden de wetenschappers echter grotere problemen: De Japanse invasie van China en dreigende plundering en verwoesting door het oorlogsgeweld van de vindplaats en de gevonden fossielen. Dit gevaar is inderdaad realiteit geworden en geleid tot de dramatische verdwijning van de fossielen. Lees verder!
Laatst gewijzigd op:
12-7-2008
|