|
Klassieke confucianistische geschriften
Hieronder een korte beschrijving van de meest klassieke onder de confucianistische filosofische werken:
- Lunyu (Analecten)
- Mengzi
- Xuji
Lunyu, ook bekend als ‘Analecten’of ‘Gesprekken’
Een verzameling van uitspraken en levenswijsheden, waarvan de samenhang onduidelijk is, toegeschreven aan Confucius en zijn leerlingen. In hoeverre Confucius of de in teksten genoemde leerlingen inderdaad zelf de auteurs geweest zijn van deze bonte verzameling leerzame aanwijzingen is een vraag, die tegenwoordig door geleerden ontkennend wordt beantwoord. Wel zijn zij het erover eens dat deze teksten stammen uit de tijd voor ca. 400 v.Chr.
Kenmerkend voor vele van de uitspraken is de aanhef “En de Meester zei…”.
Voorbeelden fragmenten uit de Lunyu geciteerd uit prof. Duyvendak’s “Uren met Chineesche Denkers” uit 1941 [De spelling en stijl van Duyvendak zijn niet aangepast aan huidige tijd]:
De Meester zeide: “Zoolang uw vader in leven is, zie naar zijn wil; wanneer uw vader er niet meer is, zie naar zijn gedrag. Wie drie jaar lang [rouwperiode na overlijden] niets verandert in zijns vaders wijze van doen [Dao] kan een plichtmatige zoon genoemd worden.” [Boek I, nr. 11]
[De leerling] Tze-koeng vroeg omtrent regeeringsmaatregelen. De Meester zeide: “Voldoende voedsel, voldoende bewapening, voldoende vertrouwen van het volk”. Tze-koeng zeide: Wanneer men, door volstrekte noodzaak gedwongen, het buiten een van deze drie moet stellen, wat komt dan het eerst aan de beurt-” De Meester zeide: “Stel het buiten bewapening”. Tze-koeng zeide: “Wanneer men, door volstrekte noodzaak gedwongen, het buiten een van deze twee moet stellen, wat komt dan het eerst aan de beurt-” De Meester zeide: “Stel het buiten voedsel. Van oudsher moeten allen sterven. Maar zonder vertrouwen in de vorst kan een staat niet bestaan”. [Boek XII, nr. 7]
[De leerling] Tze-koeng vroeg, zeggende: “Is er een woord waarnaar men zich zijn geheele leven kan richten-” De Meester zeide: “Consideratie jegens anderen! Doe anderen niet aan, wat gij zelf niet wenscht” [Boek XV, nr. 23]
Mengzi
Werk toegeschreven aan Mencius (Mengzi, meester Meng). Mencius benadrukt vooral de ingeboren goedheid van de mens. Het begrip medemenselijkheid (Ren) speelt een centrale rol. Mencius zou les gehad hebben van een achterkleinzoon van Confucius en zelf een filosofische school gesticht hebben. De delen van de Mengzi zijn langer en vertonen meer samenhang dan de Analecten (Lunyu) van Confucius.
Voorbeelden fragmenten uit de Mengzi geciteerd uit prof. Duyvendak’s “Uren met Chineesche Denkers” uit 1941 [De spelling en stijl van Duyvendak zijn niet aangepast aan huidige tijd]:
Mencius bezocht den koning Hwei van Liang. De koning zeide: “Achtbare heer, daar gij duizend mijl niet te ver hebt geacht om hier te komen, hebt gij zeker ook wel iets dat van voordeel kan zijn voor mijn land-” Mencius antwoordde: “O koning, waarom moet gij nu juist spreken van voordeel- Wat ik ook heb, is humaniteit en recht, en anders niets. Als gij, o koning, zegt: ‘Wat is er van voordeel voor mijn land-’, dan zeggen de groote heeren: ‘Wat is er van voordeel voor mijn geslacht-’ en ridders en gemeen zeggen: ‘Wat is er van voordeel van mijn persoon-’ Hoog en laag zullen dan met elkaar om voordeel strijden, met het gevolg dat het land in uiterste gevaar zal geraken…” [Boek I A, nr. 1]
Xunzi
De Xunzi bestaat uit 32 overgebleven werken (‘boeken’) in de vorm van essays. De geschriften van de confucianist Xunzi (ca. 298 – 238 v. Chr.) zijn in verschillende opzichten niet in overeenstemming met andere bekende confucianistische werken zoals de Lunyu en Mengzi. Xunzi had een meer rationele benadering. Kenmerkend voor Xunzi is, dat hij in zijn geschriften uitgaat van de vermeende slechtheid van de mens. Goedheid moet worden aangeleerd. In deze zin is hij een voorloper van de legalistische school. De bekende legalistische filosoof Han Feizi en de eerste minister van Qin, Li Si, waren dan ook zijn leerlingen.
Later zijn de geschriften van Xunzi op de achtergrond geraakt en bijvoorbeeld niet opgenomen in de neo-confucianistische canon.
Hieronder een bekende passage over de aangeboren slechtheid uit de Xunzi (Boek 17, hoofdstuk 23), geciteerd uit prof. Duyvendak’s “Uren met Chineesche Denkers” uit 1941 [De spelling en stijl van Duyvendak zijn niet aangepast aan huidige tijd]:
Over de slechtheid der menselijke natuur
De menschelijke natuur is slecht; het goede is aangeleerd. Van geboorte af aan streeft de natuur der menschen van onze tijd naar voordeel. Uit het toegeven hieraan onstaan twist en hebzucht, en gaan bescheidenheid en inschikkelijkheid teloor. Van de geboorte af kent zij haat en nijd. Uit het toegeven hieraan ontstaan geweld en leedberokkening en gaan toewijding en trouw teloor. Van de geboorte af aan heeft zij de begeerte van oog en oor, met hun liefde voor klank en kleur. Uit het toegeven hieraan ontstaan ontucht en ongeregeldheden, en gaan hoofsche zeden, het besef van rechten en plichten en beschaafd gedrag teloor. .. Daarom is het volstrekt noodig de hervormende invloed van leermeesters en voorbeelden en leiding van de regels van hoofsche zede en plichtenleer. Daarvan zal het gevolg zijn bescheidenheid en inschikkelijkheid, gepaard met beschaafd gedrag, zoodat een toestand van orderlijk bestuur ontstaat. Zoo gezien, is het duidelijk dat de menselijke natuur slecht is en dat het goede is aangeleerd. ..
Laatst gewijzigd op:
13-4-2009
|