|
Confucius, een leven tussen filosofie en politiek, door Annping Chin. Uitgegeven bij Athenaeum Polak Van Gennep, sept. 2008, paperback 288 pag. Prijs 22,50 euro. Oorspronkelijke titel: The Authentic Confucius. A Life of Thought and Politics. Vertaling: Irving Pardoen Het boek is online ondermeer te koop bij de Noord Nederlandsche Boekhandel
Confucius Een leven tussen filosofie en politiek, Annping Chin
Bezit ik wijsheid? Ik weet het niet!
Boekrecensie door: Michel Dijkstra
Hoewel de leer van Confucius het Chinese denken eeuwenlang domineerde, is er bijna niets over het leven van deze filosoof bekend. Met haar biografie 'Confucius, een leven tussen filosofie en politiek' probeert de Amerikaanse ideeënhistorica Annping Chin dit gat in onze kennis op te vullen.
In de Lunyu, de verzameling gesprekken die na zijn dood werden opgetekend, zegt Confucius het volgende over zichzelf: ‘Ik zou niet durven beweren dat ik een wijze ben of menselijkheid betracht. Misschien zou je van me kunnen zeggen dat ik een nijvere leerling ben en lesgeef zonder vermoeid te raken.’ Dit zijn merkwaardige woorden voor een filosoof van Confucius kaliber. Hoewel hij zichzelf blijkbaar niet als een wijze beschouwde, werd hij door bijna alle Chinese denkers na hem namelijk als hét toonbeeld van wijsheid beschouwd.
Confucius uitspraak is veelzeggend omdat hij de twee belangrijkste karaktereigenschappen van de meester verraadt: een grote bescheidenheid en een sterke wilskracht. Dat deze twee eigenschappen als een rode draad door zijn leven lopen, wordt duidelijk door Annping Chins biografie Confucius, een leven tussen filosofie en politiek. Vanwege het gebrek aan biografische feiten, koos Chin ervoor om het leven van de filosoof te reconstrueren. Behalve van een tweetal historische bronnen, maakte zij ook gebruik van een overstelpende hoeveelheid commentaren. Het resultaat is een buitengewoon gedegen en goed gestoffeerde biografie die niet alleen licht op Confucius (551 v. Chr. – 479 v. Chr.), maar ook op zijn tijd werpt.
Chin begint haar werk met een beschrijving van het sociaal-politieke klimaat van de Lente- en Herfstperiode (722 v. Chr. – 481 v. Chr.), de tijd waarin Confucius werd geboren. Deze periode markeert het einde van de Zhou-dynastie, een groot eenheidsrijk uit de Chinese Oudheid. Dit rijk werd geregeerd door een koning, bijgestaan door een aantal leenheren. In de loop van de geschiedenis brokkelde deze feodale structuur echter af: de leenheren begonnen eigen baas te spelen en probeerden elkaars grondgebied te veroveren. Dit leidde tot een grootschalige maatschappelijke en morele crisis. Veel Chinezen hadden het gevoel dat hun land ten onder ging.
Confucius deelde de negatieve houding van zijn tijdgenoten niet. Als tegenwicht voor het algemene verval probeerde hij zich als deugdzame hoeder van de antieke Zhou-cultuur te manifesteren. Vanuit zijn typische bescheidenheid merkte Confucius op dat hij zijn filosofische ideeën niet zelf verzon, maar allemaal aan de oudheid ontleende: ‘Ik schep niets, maar geef slechts door. Ik houd van wat oud is, want daar heb ik vertrouwen in.’ Zijn grote held was de mythische hertog van Zhou, die als kanselier feitelijk de politieke macht in handen had en ervoor zorgde dat zowel de vorst als het volk zich moreel gedroegen. Confucius wilde in zijn tijd graag dezelfde rol als de hertog van Zhou spelen.
Om zijn ideaal te verwezenlijken, reisde hij door de Chinese staten en bood zijn politieke diensten aan de verschillende heersers aan. Deze vorsten waren echter alleen op hun eigen gewin uit, waardoor ze niets zagen in zijn deugdzame filosofie. Keer op keer werd Confucius teleurgesteld. Volgens Chin ligt zijn belang dan ook niet op het politieke, maar op het educatieve vlak.
Confucius staat bekend als de eerste publieke leraar van China. Hij merkte eens op dat hij iedereen wilde onderwijzen die hem ‘een pakje gedroogd vlees’ als geschenk aanbood. Tijdens zijn omzwervingen door China hielden vier trouwe leerlingen hem gezelschap: Zai Wo, Zigong, Yan Hui en Zilu. De gedetailleerde karakterbeschrijving van deze mannen behoort tot de mooiste pagina’s uit Chins boek. Zai Wo en Zigong waren de leerlingen waar Confucius het liefste mee discussieerde. De gesprekken met Zai Wo waren voor de meester overigens geen onverdeeld genoegen, omdat deze hem vaak provoceerde. Bovendien was Zai Wo uitermate lui. Toen Confucius eens merkte dat zijn leerling in slaap was gevallen, riep hij uit: ‘Verrot hout kun je niet bewerken, een muur van leem en mest kun je niet bepleisteren! Wat voor zin heeft het om tegen Zai Wo tekeer te gaan?’
Met Zigong voerde Confucius de meest diepzinnige filosofische gesprekken. Hoewel de meester een grote zielsverwantschap met deze leerling voelde, had hij ook kritiek op diens geslepen mentaliteit. Zigong was namelijk een handige politicus die zijn eigen profijt voorop stelde. Heel anders was Han Yui, een bijzonder onthechte man die zich continue met wijsbegeerte bezighield en alle levensomstandigheden accepteerde, ook de meest armoedige. Zigong vroeg eens aan Confucius wie de beste leerling was: hij of Yan Hui. Het antwoord van de meester luidde: ‘Jij bent niet zo goed als hij. Geen van ons beiden is zo goed als hij.’ Confucius bescheidenheid ging zó ver, dat hij Yan Hui’s wijsheid en morele ontwikkeling zelfs boven de zijne stelde.
Chin maakt op overtuigende wijze duidelijk dat je Confucius' filosofie niet goed kunt begrijpen zonder kennis van zijn karakter en de mensen om hem heen. De meester was namelijk geen systematicus, maar paste zijn leer aan de omstandigheden aan. Iedere leerling kreeg dan ook een persoonlijk antwoord, dat bij zijn karakter of levensomstandigheden paste. Zo deed Confucius zijn uiterste best om het opvliegende karakter van Zilu te temperen, maar kon hij niet verhinderen dat deze leerling uiteindelijk een gewelddadige dood stierf.
Centraal in Confucius onderwijs stond het begrip menselijkheid (ren) oftewel wederkerigheid: ‘Wat je voor jezelf niet wilt, doe dat ook een ander niet’. Volgens de filosoof kon de mens zich zijn leven lang oefenen om deze deugd te vervolmaken. Hoewel hij naar eigen zeggen niet wist of hij de deugd bezat, deed hij steeds zijn best om de morele gesteldheid van iedereen die hij tegenkwam te verbeteren. Het feit dat de vorsten van Confucius tijd doof waren voor zijn morele boodschap sloeg hem niet uit het lood. Voor zijn leerlingen was deze onverzettelijke houding vaak onbegrijpelijk. Een grenswachter snapte het echter wel: ‘De wereld heeft het lang zonder morele weg moeten stellen. De hemel staat op het punt om uw meester te gebruiken als een houten klepel in een bronzen klok.’
De grenswachter heeft gelijk gekregen. Door zijn bescheidenheid en onverzettelijke optimisme maakte Confucius zo’n grote indruk op zijn leerlingen dat ze zijn gedachtegoed bewaarden en in de praktijk probeerden te brengen. Zo groeide het confucianisme door de inspanningen van latere denkers zoals Mencius en Xun Zi (vierde eeuw v. Chr.) uit tot de hoofdstroming van de Chinese filosofie. Dankzij Annping Chins Confucius kunnen we een glimp opvangen van de bron van deze geweldige expansie, de man waarmee het allemaal begon.
Michel Dijkstra (1982) is filosoof en journalist. Eerdere publicaties verschenen in 'Bres', 'Filosofie Magazine' en het dagblad 'Trouw'. Daarnaast is hij redacteur van het boeddhistische tijdschrift 'Vorm & Leegte'.
Laatst gewijzigd op:
22-3-2009
|