|
Het neo-confucianisme
Het neo-confucianisme is een breed ontwikkelde vorm van de confucianistische filosofie, waarin onder andere vele elementen van taoïsme en boeddhisme zijn verwerkt. Sedert de Song-dynastie tot het einde van het keizerrijk heeft deze filosofie het intellectuele leven en de geest van het regeringsapparaat in de Chinese maatschappij gedomineerd. De term 'neo-confucianisme' is een Westerse term. In het Chinees wordt het Daoxue (= "leer van de 'dao' / weg") genoemd.
Kenmerken Het neo-confucianisme baseert zich op een nieuwe interpretatie van de klassieke geschriften uit de Zhou-dynastie. De belangrijke oude confucianistische geschriften werden uitvoerig ge-annoteerd en soms geherschikt. Hierbij is meer de nadruk gelegd op de filosofische inhoud dan aan de filologische aspekten, waarop de vroegere geleerden zich vooral richtten. Evenals het 'oude' confucianisme kenmerkt het neo-confucianisme zich door practisch (bestuurskundig) nut. Buiten het practische nut, werden nu voor het eerst metafysische (buiten het bereik van de menselijke waarneming staande) aspekten in het confucianisme meegenomen. Het neo-confucianisme ontwikkelde zich daarmee tot een meer complete filosofie.
Beeld van een hoogwaardigheidsbekleder(ambtenaar) uit de Noordelijke Song-dynastie (960-1127). Het beeld weerspiegeld de neo-confucionistische idealen van wijsheid en onkreukbaarheid. foto © Geledraak.nl
Een centrale rol was voor de Yijing ("Boek van de veranderingen") weggelegd. Dit boek, waarvan cosmologische speculatie een belangrijk deel uitmaakt, stond - in vergelijking met de andere confucianistische teksten - oorspronkelijk wat aan de zijlijn. Het neo-confucianisme distilleerde uit dit en andere werken een eigen metafysica. Een belangrijk onderdeel van de theorie is dualisme tussen de essentie van het zijn (Li) en de fysieke vorm (materie) van het zijn (Qi). Qi volvoert de cyclus van ontstaan en sterven, terwijl Li deeluit maakt van de alomvattende natuurkracht, die overal in aanwezig is en nooit vergaat. Het doel van de geleerde is de li te bestuderen en te bevatten.
Het karakter 'Qi'
Door deze innovatie en het feit dat vele elementen uit taoïsme en boeddhisme overgenomen werden, werd het monopolie van het taoïsme en boeddhisme op het gebied van metafysica doorbroken. Toch is het neo-confucianisme een filosofie van deze wereld. Men gelooft niet in een hemel (zoals bij het boeddhisme) noch streeft de neo-confucianist naar onsterfelijkheid (zoals vaak bij het taoïsme). Wat men waarneemt wordt als reëel beschouwd (in tegenstelling tot het boeddhisme dat de waargenomen wereld als illusie opvat). Bovendien legt deze filosofie de nadruk op het vinden van zelfontplooiing en sociale zingeving van het bestaan (in tegenstelling tot het taoïsme, dat afkerig is van deze wereld). Dit sociale element wordt evenals bij het vroegere confucianisme, uitgewerkt in de plichten van het verantwoordelijke individu ten aanzien van familie, clan en staat. Practisch vertaalt zich dit in het ideaal een goed en rechtvaardig gezag uit te oefenen, gezamelijke verantwoordelijkheid en het bieden van onderlinge hulp, bij bijv. familiekwesties, waterstaatkundige werken of bestrijding van rampen.
Het drievoudige verbond tussen neo-confucianisme, klassieke teksten en examenstelsel vormde vanaf de Song-dynastie tot het einde aan het begin van de 20e eeuw de harde kern van het bestuur van het keizerrijk.
 Potret van de neo-confucianistische geleerde Zhu Xi (1130-1200) door onbekende kunstenaar.
Bekende neo-confucianistische geleerden De neo-confucianistische leer werd zowel op staats- als particuliere academies onderwezen. De belangrijkste creatieve geesten vindt men vooral tijdens de Noordelijke Song-dynastie (960-1127): Zhou Dunyi (1071-1073), Shao Yong (1011-1077) en Zhang zai waren de voorlopers van de belangrijkste 'scholenbouwers', de gebroeders Cheng Hao (1032-1085) en Cheng Yi (1033-1107). Tijdens de Zuidelijke Song-dynastie (1127-1279) leefde Zhu Xi (1130-1200), die alle elementen tot één samenhangend geheel bijeen heeft gebracht en als zodanig de meest bekende neo-confucianist is.
De "Vier Klassieke Boeken" (Sishu), door Zhu Xi uitgekozen, vormen de kern van de het neo-confucianisme en daarmee ook de belangrijkste geschriften, die kandidaten voor het staatsexamen (nodig voor een ambtelijke carrière) moesten kennen. Ze bestaan uit de Lunyu ("Analecten"), Menzi (leer van Mencius), Daxue (="Groot leerstuk") en Zhongyong (="Centrale Midden").
Ontwikkelingen na de Song-dynastie Ook na de Song-dynastie werd er nog verder aan de leer gewerkt. Het karakter van de bijdragen van geleerden tijdens de Ming-dynastie lag vooral in de zelfontplooiing en was minder op de buitenwereld gericht. De grootste vertegenwoordiger van deze ontwikkeling was Wang Yangming (1472-1529), die in overeenstemming met het bovenstaande, de li vooral zag als residerend in de geest van de mens. Het confucianisme tijdens de Qing-dynastie vormde hierop weer een reactie en leidde de filosofie weer terug naar maatschappelijke aspekten.
Laatst gewijzigd op:
17-4-2013
|