|
De heilige bergen van China
(China Nu, voorjaar 2002)
Iedereen die een beetje bekend is met de toeristische plekken in China heeft
zeker van Taishan of van Huashan gehoord, de twee beroemdste heilige bergen van
China. Taishan ligt in het oosten van China en menig toerist vindt het een
onderdeel van zijn culturele opvoeding om eenmaal in zijn of haar leven de meer
dan tweeduizend meter hoge Taishan te beklimmen. Voor Huashan in het westen
geldt hetzelfde. Onderweg wordt de klimmer onthaald op wonderlijke
vergezichten, oude taoïstische en boeddhistische tempels en historische plekken
die gemarkeerd worden door stèles of opschriften in rotsen waar keizers en
andere belangrijke historische personen gepasseerd zijn. De klim kan een
ervaring van schoonheid zijn, soms een loutering, het is een reis door de tijd,
en in een enkel geval welhaast een mystieke eenwording met het universum.
Auteur: © Lennert Gesterkamp
Waarom deze drang om met hordes tegelijk een berg te beklimmen, en niet één,
maar over heel China? Het antwoord is een volledige studie waard, maar ik zal
mij hier beperken tot twee aspecten van het fenomeen de heilige berg in
China. Ten eerste zijn bergen onderdeel van de traditionele Chinese religies,
het taoïsme en het confucianisme. Bergen in China worden geacht te worden
bewoond door goden en onsterfelijken. Een deel van deze verering van de bergen
is te danken aan hun nut in het menselijk bestaan. Bergen zijn bronnen van
welvaart en vruchtbaarheid waar rivieren hun oorsprong vinden, waar medicinale
planten en kruiden groeien, en waar mensen bouwmaterialen vinden voor woningen
(Chinese huizen zijn traditioneel gebouwd van hout) en werktuigen. Bergen zijn
ook toevluchtsoorden in tijden van chaos. In de vroege oudheid waren bergen
plaatsen van ontzag en vrees waar duistere krachten heersten die vermeden dan
wel vereerd dienden te worden. Ten tweede zijn bergen kunstobjecten op zich
geworden. Hun religieuze status transformeerde in een grote bewondering voor het
natuurlijk schoon dat ze representeerden, en die uitdrukking kreeg in de Chinese
poëzie en landschapsschilderkunst.
Religieuze excursies Sinds de
eerste Chinese dynastieën, en dan spreken we zeker over drieduizend jaar terug,
spelen bergen een voorname rol in de Chinese cultuur. Taishan en Huashan zijn
het beroemdst maar maken in feite deel uit van de Vijf Heilige Pieken (wuyue)
die op hun beurt weer onderdeel zijn van een veel groter netwerk van
heilige bergen waarin zij de voornaamste plaats innemen.
Volgens de overlevering hielden de eerste mythologische vorsten van China
excursies of processies naar deze Vijf Heilige Pieken en elk bezoek vond plaats
in een vaste periode van het jaar. Hun excursies waren bedoeld als
jachtexpedities waarna er rituele offers gebracht werden aan de god van de
desbetreffende berg. Latere keizers, beginnende met de Eerste Keizer van de Qin
(van het Terracotta Leger), formaliseerden deze expedities en gaven ze een vaste
plaats in de staatsrituelen, zoals voorgeschreven door het confucianisme. De
Vijf Heilige Pieken liggen in alle vier de kompasrichtingen en in het centrum –
in het oosten Taishan, in het zuiden Hengshan, in het westen Huashan, in het
noorden Hengshan (andere betekenis in het Chinees) en in het centrum Songshan.
Ze vertegenwoordigen in hun totaliteit het grondgebied van het Chinese
keizerrijk. Elke berg heeft een god, die over zijn eigen domein heerst.
De excursies naar de vijf heilige bergen die door de keizer persoonlijk of
door zijn afgezanten ondernomen werden, waren een vertoon van autoriteit maar
tegelijk een religieuze processie. De Vijf Heilige Pieken zijn het symbool van
nationale eenheid en bij de wisseling van een dynastie haastte de nieuwe keizer
zich naar de heilige bergen om zijn gewonnen autoriteit af te dwingen. Lokale
tirannen deden hetzelfde in perioden van verdeeldheid. In een religieus-politiek
kader werden de goden van de heilige bergen gepaaid met vorstelijke geschenken
om zo vrede en welvaart in de desbetreffende regio te bedingen of soms om
vergiffenis te vragen als het gebied door rampen werd getroffen. Deze traditie
van de keizerlijke excursie werd, met onderbrekingen, tot aan het eind van
laatste dynastie in stand gehouden. Yuan Shikai wilde zich na de val van de
Qing-dynastie in 1911 tot keizer kronen op het Hemelaltaar in Peking. Op de
Heilige Piek van het Noorden staat nog een stèle met een inscriptie die zijn
offer aan de berggod optekent.
118 heilige bergen In het taoïsme bezitten
heilige bergen een veel spirituelere dimensie en deze staan hoogstwaarschijnlijk
aan de oorsprong van de keizerlijke excursies. Bergen zijn plaatsen van
onsterfelijkheid en het was om deze reden dat China’s Eerste Keizer de Vijf
Heilige Pieken afreisde. Goden en onsterfelijken houden zich er op terwijl
beoefenaars van het taoïsme er de onsterfelijkheid hopen te bereiken, waarbij de
Vijf Heilige Pieken vanzelfsprekend de voorkeur genieten.
De taoïsten hebben op basis van deze vijf heilige bergen een volledig systeem
ontwikkeld waarin bergen over heel China zijn opgenomen. Aan het einde van de
Tang-dynastie waren 118 heilige bergen gecatalogiseerd. Deze bergen werden
gezien als ‘grothemelen’ (dongtian) en aangemerkt als plaatsen die geschikt
werden bevonden om de onsterfelijkheid te bereiken of anderzijds met het
mysterieuze in contact te treden. De grothemelen stonden in hun verbeelding
onderling in contact door middel van een ondergronds netwerk van grotten en
tunnels. Het systeem van bergen zelf relateerde op zijn beurt aan de kosmische
constellaties en planeten van de nachtelijke hemel, een systeem dat volgens de
taoïsten ook weer terug te vinden is in het menselijk lichaam. Zo werden de Vijf
Heilige Pieken van symbool van nationale eenheid tot symbool van universele
eenheid.
Heilige bergen werden soms grote bedevaartsoorden waar zich wel honderden
taoïsten in de tempels of in de grotten op de berg verzamelden. Monniken reisden
van berg naar berg om instructies te ontvangen van beroemde meesters. De bergen
en hun tempelcomplexen groeiden aldus uit tot culturele centra. De befaamde
bergen genoten bovendien keizerlijke protectie en de tempels die er voor de
goden en de monniken werden gebouwd, namen de vorm aan van ware paleizen. Veel
tempels uit de laatste dynastieën zijn nog op deze bergen te vinden.
Boeddhisme De Vijf Heilige Pieken waren zowel
taoïstische als confucianistische pelgrimsoorden, hoewel de laatsten toch zeker
minder oog hadden voor de religieuze dimensies van deze karakteristieke
landschapselementen. Het boeddhisme kende zijn eigen reeks van heilige bergen in
China die nu eigenlijk bekender zijn dan de taoïstische bergen, zoals de
centrale heilige piek Songshan, die nu bekend is door het Shaolin-klooster, en
Emeishan in de provincie Sichuan. Het boeddhisme verrijkte de Chinese
bergcultuur met nieuwe kloosters en goden en nieuwe bedevaartsoorden. Een ander
belangrijk bestanddeel van de bergcultuur was de verering door leken, met name
afkomstig uit de lokale bevolking, welke eigenlijk altijd aan de basis van
tradities staat. In de latere dynastieën begon de gewone bevolking zich te
organiseren in gemeenschappen die op pelgrimage gingen naar de heilige bergen.
De intellectuelen van het oude China stonden echter een meer individuele
benadering voor die op artistieke wijze werd geuit.
Bergen als kunst De poëzie ging
de schilderkunst in de bejubeling van bergen voor. In het klassieke China werden
bergen nog gezien als angstaanjagende plaatsen, maar in de eerste eeuwen van
onze jaartelling kwam daar onder invloed van het taoïsme en het boeddhisme
verandering in. De mystieke ervaring van het beklimmen van bergen werd verwoord
in gedichten waarbij vooral de dichtvorm fu zich goed leende voor lange
beschrijvingen vol met religieuze allusies. De heilige bergen waren plaatsen
waar beroemde taoïsten de onsterfelijkheid hadden bereikt en elke berg had dus
zijn eigen geschiedenis. (Een goed voorbeeld is de fu van Sun Chuo (vierde
eeuw) over de Altaarberg; zie de vertaling van W.L. Idema, elders op deze pagina) De schilderkunst volgde in
de voetsporen van de dichtkunst. Terwijl ze zich als aparte genres ontwikkelden
vormden zij bijna een verplicht onderdeel van de literati-opvoeding in latere
eeuwen.
In de vroege Chinese schilderkunst waren bergen figuranten op de achtergrond,
maar vanaf de vierde eeuw kregen ze een hoofdrol toebedeeld. Op dezelfde wijze
als dichters bewondering hadden voor de bergen, zo werden schilders geïnspireerd
om de mystieke ervaring in beelden te vangen. Bijvoorbeeld, de allusies naar
hemelpoorten en onsterfelijken werden omgezet in picturale motieven van puntige
pieken (que) en werd de onsterfelijke Xu You die vist zonder haak
voorgesteld als teken van opperste onbezorgdheid. Majestueuze
landschapsschilderingen sierden muren van tempels van de Tang- tot de
Song-dynastie. In de Song-dynastie bereikte de ‘verering’ van bergen haar summum
in de monumentale landschapsschilderkunst van bijvoorbeeld Fan Kuan en Guo Xi
(beiden taoïst) die bergen lieten oprijzen uit de mist en weer lieten vervagen
in een mystiek perspectief.
Met de opkomst van de literati-schilderkunst vanaf de late Song-dynastie
werden bergen verheerlijkt als het ideaal van rechtschapenheid en loyaliteit.
Landschapsschilderijen werden daarmee de juiste symbolen om uiting te geven aan
de eigen moraal alswel gepaste geschenken voor mede-literati. Sommige bergen,
met name de Huangshan in Anhui, belichaamden deze idealen het best; ze werden
pelgrimsoorden voor literati en de schilderijen ervan werden als souvenirs
verkocht.
Elke berg in China heeft zijn eigen verhaal, een verhaal dat alleen beleefd
kan worden door zelf de berg te bestijgen en op te gaan in zijn heiligheid.
Over de auteur: Lennert Gesterkamp is sinoloog en is verbonden aan de
Universiteit Leiden waar hij onderzoek doet naar Chinese religie en kunst.
de Fu van Sun Chuo:
Verafgelegen is dit ontoegankelijke gebied donker en
diepverborgen, van de buitenwereld afgesloten! Kortzichtigen gaan er niet
heen omdat zij zich houden bij wat zij zien, van hen die gaan kent geen het
want het pad breekt af. Ik lach om de zomervlieg die twijfelt aan
ijs, orden mijn lichte slagpennen om erheen te wieken. Geen waarheid is
verborgen die zich er niet manifesteert, het openbaart twee wonderen om een
teken te tonen: De Rode Muur rijst op als ochtendrood en stelt een
merk, de Waterval stort vliegend neer om de weg te begrenzen.
Uit: Sun Chuo - Dicht van de zwerftocht door het Hemelterras-gebergte.
Spiegel van de Klassieke Poëzie, samengesteld en vertaald door W.L. Idema,
Meulenhoff 1991.
Laatst gewijzigd op:
16-11-2005
|