adverteren     onze diensten     Twitter     contact     disclaimer     privacy     redactiestatuut     over Geledraak.nl     sitemap  
 
 
Cultuur & geschiedenis > Geschiedenis 
artikel doorsturen  

Deze week op televisie
China op TV en radio
Lees de tv tips voor de komende week op de
tv tips pagina.

De Qing-dynastie
(1644-1912)

Inleiding
Politieke geschiedenis tot ca. 1820
Economische ontwikkellngen
Relaties met het buitenland
Verbreiding van het christendom
Cultuur tijdens de Qing-dynastie

Chinese karakter: (qing) Let op! Spreek uit "Tsjing"

laatste keizerlijke dynastie van de Chinese geschiedenis. Het heersende huis was van 'barbaarse' (niet-Chinese) afkomst en stamde uit het huidige Mantsjoerije.
Gedurende de eerste helft van de dynastie kon de Qing-dynastie zich meten met de grootste voorgangers voor wat betreft macht, prestige en uitgestrektheid. Hierbij steunden de Mantsjoes in hoge mate op Chinezen die de nieuwe machthebbers feitelijk accepteerden. De Mantsjoes, op hun beurt, omarmden de Chinese beschaving, zoals zovele vreemde overheersers daarvoor. Behalve grootheid kende de Qing-dynastie echter ook een periode van verval die uiteindelijk - tijdens de tweede helft van de 19e eeuw - tot een debacle leidde, waarvan het Chinese rijk zich niet meer herstelde. Het duizenden jaren oude keizerrijk kwam in 1911 tot een einde.
Hoewel van barbaarse oorsprong, handhaafde het hof tijdens de Qing-dynastie een streng doorgevoerd confucianisme. In cultureel en artistiek opzicht had dit een zekere starheid tot gevolg.

Deze pagina behandelt de opkomst en de bloeitijd van de Qing (tot ongeveer 1820). Aan de beschrijving van de neergang (na ongeveer 1820) is een aparte pagina op Geledraak.nl gewijd.

Vlag van China tijdens de Qing-dynastie


De politieke geschiedenis van de Qing-dynastie tot ca. 1820
De Mantsjoes van voor 1644.
Het gebied in het noordoosten van de huidige Volksrepubliek (de provincies Heilongjiang, Jilin, Liaoning en een groot gedeelte van Binnen-Mongolië), ook Mantsjoerije genoemd, werd in het verleden bewoond door aan de Mongolen verwante stammen. De meest geduchte onder deze stammen waren de Jurchen. Zij stichtten in de twaalfde eeuw de Jin-dynastie (1115-1234), die heel Noord-China veroverde. Voor een overzichtskaart en beschrijving van de Jin-dynastie, zie: De geschiedenis van de (Noordelijke) Song-dynastie.
Afstammelingen van deze oorspronkelijke Jurchen-heersers wisten in het begin van de 17e eeuw wederom een sterke machtsbasis in hun oorspronkelijke stamgebied op te bouwen. Met behoud van hun tribale organisatie, hun semi-nomadische tradities en hun krijgshaftigheid, namen zij vele Chinese technieken en bestuurlijke praktijken over.

Hun grootste leider was Nurhaci (1559-1626). Hij verenigde de verschillende stammen en reorganiseerde hen op militaire basis. Elk van zijn onderdanen behoorde voortaan tot een militaire eenheid, 'vendels' genaamd, waarvan er oorspronkelijk acht opgericht werden. De geduchte macht van de Jurchen breidde zich onder zijn leiding van 1609, tot zijn overlijden, uit over het gehele (tegenwoordige) Noordoost-China en Mongolië.Het Mantsjoe-schrift

Rechts: het schrift van de Mantsjoes. Het was gebaseerd op het Mongoolse schrift.

Zijn opvolger Abahai (r. 1626-1643) zette de veroveringen voort en onderwierp in 1637 Korea.
Het jaar ervoor had een onderworpen Mongoolse heerser hem het 'keizerlijke zegel van de Yuan-dynastie' overhandigd en Abahai riep de Qing-dynastie uit. (De Yuan was de dynastieke naam voor de Mongoolse overheersing, die China tussen 1279 en 1368 bestuurde.) Ook veranderde hij bij deze gelegenheid de oude naam van de stam 'Jurchen' in 'Mantsjoe' (ook gespeld als 'Mandsjoe', 'Manchu' of 'Manzhou' in het Pinyin).

De letterlijke betekenis van het karakter Qing uit de naam van de dynastie is "puur".

De Qing-dynastie na 1644
In 1644 riep Wu Sangui, een van de generaals van de kwijnende Ming-dynastie, de hulp in van de Mantsjoes tegen de rebel Li Zicheng. Op deze manier veroverden de troepen van Qing Peking en lieten zich tot ergernis van de legitieme opvolgers van de laatste officiele Ming-keizer, niet meer verdrijven.
Overigens was Wu afkomstig uit Liaodong, het van oorsprong Chinese schiereiland dat al sinds het begin van de 17e eeuw deel uitmaakte van het Jurchen territorium. Hij wist dus wie hij in huis haalde. In deze tijd bestond het leger van de Mantsjoes al voor de helft uit Chinese en Mongoolse troepen. Het duurde nog vele jaren voordat de keizers van de Qing-dynastie de macht over het hele uitgestrekte Chinese rijk in handen hadden. Hierbij was de hulp van Chinezen uit Liaodong onontbeerlijk. Wu Sangui was een van hen.

De strijd van verschillende Ming-prinsen en hun aanhang (ook wel "Ming-loyalisten" genoemd) duurde tot ongeveer 1662. Interessant voor de relatie met de Nederlandse koloniale expansie was het verzet in de provincie Fujian, waarbij Koxinga betrokken was. Dit speelde zich af voordat hij naar Taiwan verdreven werd, na zijn mislukte aanval op Nanjing in 1661. Koxinga werd vooral bekend omdat hij de Nederlanders van Taiwan verjoeg. Dit eiland werd pas in 1682 door de Qing-dynastie ingelijfd, waarbij de nakomelingen van Koxinga zelf verjaagd werden.

Het zuiden van China werd gedurende de eerste decennia van de nieuwe dynastie bestuurd door Chinese generaals, die, zoals Wu Sangui afkomstig waren uit het oorspronkelijke Mantsjoe gebied en al vele jaren in dienst van de Qing. Toen hun positie echter langzaam ondergraven werd door de nieuwe centrale regering in Peking kwamen zij in opstand. Het was de toen nog jonge Kangxi keizer, die in 1681 een einde maakte aan de opstand. Het zou de eerste van een lange reeks militaire successen worden van deze keizer.

KangxiLinks: Staatsieportret van de Kangxi-keizer op latere leeftijd.

De Kangxi keizer zou maar liefst 60 jaar regeren en wordt vaak gezien als de meest succesvolle en wijze regeerder uit de hele Chinese geschiedenis. Onder zijn leiding vond de grootste territoriale expansie plaats sinds de Tang-dynastie. Zo versloeg hij persoonlijk Galdan, de leider van een krachtig West-Mongools rijk van de Mongoolse stam der Djoengaren.

Het zou echter nog tot 1759 duren - onder de Qianlong-keizer - voordat de Qing-dynastie directe controle verkreeg over Oost-Turkestan. Dit gebied maakte sinds de Tang-dynastie - afgezien van de periode van Mongoolse overheersing - geen deel meer uit van de Chinese invloedsfeer. Het gebied, deel van de oude Zijdeweg, werd uitgebreid gekoloniseerd met behulp Chinese garnizoenen.
Het was de Qianlong-keizer, die evenals Kangxi een ruim 60-jarige regeringsperiode beleefde, Tibet veroverde (of heroverde, zo men wil) en er een protectoraat vestigde. Afgezien van een garnizoen van 1500 soldaten in de hoofdstad was van bezetting nauwelijks sprake.


Het rijk van de Qing-dynastie ten tijde van de grootste expansie in het midden van de achtiende eeuw.

Tegen het einde van de Qianlong-periode begonnen de eerste scheuren te ontstaan in het stevige muurwerk van de dynastie. De keizer zelf was geestelijk niet goed meer in staat te regeren. Zijn autocratische macht echter behield hij, tot schade van de staat. Intriganten misbruikten het vertrouwen van de keizer tot eigen voordeel, ten koste van de staatskas en het gezag van het hof. Opstanden waren er tijdens de Qing-dynastie altijd geweest, maar vrijwel altijd aan de randen van het immense rijk. Door ingrijpen van capabele generaals, ondersteund door een gezonde staatskas, lukte het altijd de opstandelingen de baas te blijven. Officieel portret van Qianlong

Officieel portret vad de Qianlong-keizer. Tijdens zijn regering beleefde de Qing-dynastie haar grootste uitbreiding, doch ook het begin van het verval.

Echter, in het tamelijk ontoegankelijke gebied van de bovenloop van de Yangzi-rivier woedde van 1796 tot 1804 de zgn. 'Witte Lotus' opstand, een beweging van ontevreden boeren. Hoewel de opstand onderdrukt werd, werd eveneens op pijnlijke wijze duidelijk hoezeer de regering tijdens de laatste jaren van de oude Qianlong-keizer in ernstige mate gedegenereerd was. Corruptie en verval van militaire discipline waren, zoals achteraf vastgesteld moet worden, in een onomkeerbaar stadium terecht gekomen. Alleen met lokale militia was de opstand te onderdrukken geweest. Het bleek dat de macht van de eens zo gevreesde vendels was verdwenen.

De Jiaqing-keizer wist na de dood van Qianlong het tij tijdelijk te keren door een serie maatregelen, met name op financieel terrein (o.a. verkopen van ambten), maar hem werd geen tijd gegund om orde op zaken te stellen in het Qing-rijk en de grootste van alle bedreigingen te onderkennen, laat staan het hoofd te bieden: De voortdurende uitbreiding van de belangen van de Westerse mogendheden in China.

De Mantsjoe heersers van de Qing-dynastie hebben er altijd naar gestreefd het exclusieve Mantsjoe-element in de regering te bewaren. Zo was er een verbod op gemengde huwelijken tussen Mantsjoes en bleven de overheersers allerlei privilegiën behouden. De Mantsjoes lieten het bureaucratische systeem, zoals dat tijdens de Ming-dynastie tot ontwikkeling was gekomen, voortbestaan.
Hoewel het aantal Mantsjoes in vergelijking met de etnische Chinezen klein was, was de groep groot genoeg om een voldoende aantal sleutelposten in de centrale en lokale bureaucratie te bezetten, alsmede om binnen het leger een voldoende grote en krijgshaftige groep te vormen. Een van de andere maatregelen om een zeker overwicht te behouden was het verbod van immigratie voor Chinezen in het Mantsjoe stamland.
Het leger was verdeeld onder een groot aantal Mantsjoe- en Chinese eenheden. De regering hield een strikte controle over het leger en voorkwam door deze versplintering een te grote concentratie van macht in de handen van de hoogste officieren.

De Mantsjoes leerden al spoedig Chinees en de Mantsjoe-taal raakte snel in onbruik. Dat desondanks alle belangrijke officiele documenten in de Mantsjoe-taal vertaald werden was dan ook meer een traditie dan een praktisch nut.
Het Qing-rijk werd sterk centraal geregeerd. Aan de top van de machtspiramide stond de keizer, die over bijna alles wat er in het rijk gebeurde wat te zeggen had. Vanaf de Yongzheng-periode (1723-1735) werd hij hierbij nog eens extra ondersteund door een netwerk van informanten, die exclusief geheime toegang tot de keizer hadden. In die periode werd de Grote Raad ingesteld, waarin alle belangrijke beslissingen genomen werden. De Grote Raad bestond gewoonlijk uit ongeveer 6 personen (3 Chinezen en 3 Mantsjoes). Op het laagste niveau werd gebruik gemaakt van het aloude systeem van gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij de gehele gemeenschap verantwoordelijk werd gehouden van het gedrag van elk individu. Dit bewerkstelligde een efficiënte sociale controle.

De officiële staatsfilosofie was het (neo-)confucianisme, sterk ondersteund door de keizers zelf. De recrutering van de ambtenaren vond als vanouds plaats door het examenstelsel, waarbij de kandidaten vooral getest werden op hun (letterlijke) kennis van de oude confucianistische geschriften. Dit starre systeem bevorderde de eenheid van het bestuur over het gehele rijk, maar belemmerde de later bitter nodige hervormingen.

De economische ontwikkelingen tijdens de eerste helft van Qing-dynastie
De periode van 1660 tot ongeveer 1800 had een lange tijd van orde en rust voortgebracht, die voor een ongekende economische vooruitgang zorgde. De bevolking groeide in die tijd aanzienlijk (naar schatting een verdubbeling van ongeveer 150 tot 300 miljoen zielen). De geldeconomie, met name het gebruik van zilver, nam sterk toe. Een van de gevolgen was een sterke ontwikkeling van het bankwezen, met name in de provincie Shanxi.
De bevolkingsgroei had ook tot gevolg dat steeds meer vruchtbare grond nodig was om de bevolking te voeden. De gevolgen waren ontbossing, erosie en het noodzakelijkerwijs in gebruik nemen van marginale landbouwgronden. Produktiviteitsverbetering in de landbouw, zoals o.a. de verkorting van de tijd die nodig was voor het verbouwen van rijst, vond nog slechts mondjesmaat plaats. Dit betekende dat een groot deel van de bevolkingsgroei een uitweg moest vinden in handel en (pre-)industriële activiteiten of armoede. Een systeem van graanvoorziening en noodvooraden werd opgezet om aan de beruchte hongersnoden het hoofd te bieden.

De relaties met het buitenland
Als machtigste staat ter wereld (voor zover bij de Chinezen bekend) erkende het Chinese hof, in navolging van de illustere voorgangers van de Tang- en Ming-dynastie, alleen de tribuutrelatie. Hierbij ontving de keizer - ver verheven boven enige andere buitenlandse potentaat - op gezette tijden een gezantschap om welwillend geschenken in ontvangst te nemen. Echter niet nadat de ondergeschikte gast een keurige kow-tow had uitgevoerd.

Het Qing-hof maakte hierbij geen enkel onderscheid tussen Aziatische, Europese of afgevaardigden van enige andere volk of natie.

Sinds het einde van de Ming-dynastie hadden zich al regelmatig westerse handelaren (met name Portugezen, Spanjaarden en Nederlanders) laten zien die probeerden directe handelsrelaties aan te knopen. Dit werd slechts zeer beperkt toegestaan. (Zie de betreffende passages bij het overzicht van de geschiedenis van de Ming-dynastie).
Tijdens de 17e eeuw hadden de Engelsen zich bij de eerder aangekomen Europeanen gevoegd. Hun 'East India Company' veroverde snel een overheersende positie ten opzichte van de andere Europeanen. De Engelsen verwierven tenslotte praktisch een monopolie op de handel met China, die destijds vrijwel geheel via Canton (Guangzhou) verliep.
De beperkingen die de Chinese autoriteiten aan de handel oplegden en het feit dat het niet toegestaan werd een soort van permanente diplomatieke vertegenwoordiging aan het hof toe te laten, was de Engelsen een doorn in het oog. In 1793 had Lord Macartney, als persoonlijke afgezant van koning George III, een gezantschap naar het hof van Qianlong ondernomen. Deze wees elk verzoek van de Engelsen af en verklaarde dat China geen behoefte had aan de producten van de Engelsen. Ook latere pogingen liepen op niets uit. Tenslotte zou dit de aanleiding vormen tot de opiumoorlog.

Ook de Russen, die tijdens de 17e eeuw tot ver in het oosten van het huidige Siberië waren doorgedrongen, kregen geen poot aan de grond bij de Qing-autoriteiten als het ging om vrije toegang of handel. Bij verschillende verdragen (verdragen van Nertsjinsk in 1689 en van Kiakhta van 1727) werden werd wel een aantal grensconflicten geregeld, waarbij onder andere de West-Mongoolse steppen tussen China en Rusland werden verdeeld.

Verbreiding van het Christelijke geloof.
Het waren vooral de Jezuïten die aanvankelijk succesvol waren met de katholieke missie in China. Bij de bespreking van de geschiedenis van de Ming-dynastie is  hieraan al enige aandacht besteed. Tijdens de eerste decennia van de Qing-dynastie konden zij hun expansie vrijwel ongehinderd voortzetten. De Duitser Adam von Schall en de Vlaming Verbiest wisten zelfs goede persoonlijke contacten aan te knopen met respectievelijk de Shunzhi- en de Kangxi-keizer.

Cultuur tijdens de Qing-dynastie
De eerste helft van de Qing-dynastie was een cultureel productieve periode, met name door de persoonlijke steun van de keizers, zoals Kangxi, Yongzheng en Qianlong. Geschiedschrijving en de productie van literaire en encyclopedische werken werden door het hof gestimuleerd. Diepgaande studie van de oude klassieke teksten leverde een schat aan nieuwe inzichten op ten aanzien van hun (werkelijke) ouderdom en authenticiteit.
Tijdens de Qianlong-periode werd er een compilatie (36.000 delen) gemaakt van alle belangrijke literaire, aardrijkskundige en filosofische werken. Behalve deze constructieve initiatieven is er echter ook veel ouder werk onder de literaire inquisitie in die tijd gesneuveld. Vaak werden literaire, filosofische en andere officiële teksten in grote stenen platen of steles gebeiteld en in tempels of bij overheidsgebouwen opgesteld. Door middel van de techniek van 'rubbing' (wrijfafdrukken) werden deze teksten verspreid. Deze kalligrafisch vaak prachtig uitgevoerde werken zijn in grote hoeveelheden bewaard gebleven.
Ook werd verder gewerkt aan ontwikkeling en aanpassing van de neo-confucianistische denkbeelden, die sinds de Song-dynastie (960-1279) als klassiek golden. Van grote veranderingen was echter geen sprake en bleef deze filosofie in wezen gedurende de gehele Qing-dynastie overeind en domineren.

Porseleinen vaas Qianlong-periode

 

Porseleinen vaas uit de bekende keizerlijke productie plaats te Jingdezheng, periode Qianlong.
Uit de collectie van het Shanghai Museum.

(Zie ook het artikel over de huidige porselein productie in Jingdezhen)

 

 

 

 

 

 

 

De schilderkunst had een vaste plaats veroverd in de Chinese cultuur. Tijdens de Qing-dynastie viel deze kunst, ondanks vele zeer verdienstelijke voortbrengselen, echter meer op door de grote productie dan door artistieke vernieuwing. Op het gebied van kalligrafie daarentegen behoorde de Qing-dynastie tot een van de meest scheppende perioden van de Chinese kunstgeschiedenis. Niet alleen oude stijlen werden op hoog niveau beoefend, maar ook leidden individuele stijl en vernieuwingen door Qing-kunstenaars tot creatieve topstukken in de collecties. De Qing-dynastie heeft een lange rij namen van belangrijke kalligrafische kunstenaars voortgebracht, onder ander gestimuleerd door een aantal van de grote keizers van deze dynastie, die vaak zelf grote verzamelaars van deze kunstvorm waren. Detail rolschildering uit de Qing-dynastie

Detail van een rolscholdering van Hua Yan, 1721; (Palacemuseum Peking)

Op het gebied van literatuur bracht de Qing-dynastie opmerkelijke werken voort die tot op de dag van vandaag populair zijn. De meest bekende roman is ongetwijfeld "De droom in de rode kamer" (Honglou meng) door Cao Xueqin (1715-1763). Het is het verhaal van de rijke familie Jia, die langzaam ten onder gaat en het verhaal van de liefdesgeschiedenis van de hoofdpersoon Jia Baoyu. De schrijver put hierbij uit eigen ervaring. Zijn eigen ooit schatrijke familie, die na in ongenade bij de keizer gevallen te zijn (net als de Jia-familie uit zijn roman), in steeds moeilijkere omstandigheden kwam te verkeren.

De 19e eeuw was voor China een periode van grote problemen en diep verval. Onder invloed van deze malaise heeft de Qing-dynastie sinds het einde van de 18e eeuw cultureel weinig belangwekkends meer voortgebracht.

Meubels uit de Qing-dynastie
Een voorbeeld van meubilair uit de de Qing-dynastie, opgesteld in het Shanghai Museum te Shanghai.

lees verder over de neergang van de Qing-dynastie



Laatst gewijzigd op: 18-4-2013
 
Gerelateerde pagina's  
Agenda: tentoonstelling keizerlijke kunst, Londen
Balkenende IV: Samen werken, samen leven
Boek: Bisschop Hamer uit Nijmegen niet zalig
portretten: keizers Qing-dynastie
portretten: politici en hervormers 19e eeuw
Qing-dynastie na 1820
reageren op artikelreageren
Kijk ook eens op:
Bijzondere reizen 2014
China webshop Zaiton
Ikleerchinees.nl
Gastpagina's

VNC Asia Travel - al 35 jaar
Dé China specialist!
Jouw Chinareis
Stichting EuSino
DimSum reizen
China online reizen
China Minority Travel
WondersofYunnan
Chinese Kookworkshop
Massage in Eindhoven
Chinees leren in Beijing



In de spotlights:


Chinees leren
in 1 dag
. Stoomcursus Chinees, incl. lesboek en lunch voor 238 euro. Op dinsdag 10 juni, van 09.00 tot 17.00 uur, in Wok-Inn langs de A28 bij Harderwijk. Aanmelden via www.leernuchinees.nl

Uw bedrijf in de spotlights?
Handig voor korte acties zoals nieuw bedrijf of aanbiedingen. Max. 20 woorden. Lees hier meer..!

advertenties cultuur

 



Tip! Wilt u CHINEES LEREN? Ikleerchinees.nl / Geledraak.nl biedt doorlopend diverse cursussen aan, gegeven door professionele, ervaren docenten. Locatie: Haarlem-Zuid/Heemstede. Goed bereikbaar met trein.
Lees hier meer...

Het weer in Beijing