adverteren     onze diensten     Twitter     contact     disclaimer     privacy     redactiestatuut     over Geledraak.nl     sitemap  
 
 
Cultuur & geschiedenis > Geschiedenis 
artikel doorsturen  

Gastpagina's

VNC Asia Travel - al 35 jaar
Dé China specialist!
Geld wisselen
Jouw Chinareis
Stichting EuSino
DimSum reizen
China online reizen
Beijing Service Bureau
Yangshuo Travel
MING Translations
Chinees leren in Beijing
China Minority Travel
WondersofYunnan



In de spotlights:

Anton Lustig 8 tot 22 oktober in NL beschikbaar voor presentatie. Expert taal Jingpo-volk in dorpen grensgebied China-Birma: drugs & aids, kinderen kansarm, vandaar oprichting
Prop Roots. antonlustigATgmail.com


Cursussen Chinees op diverse niveau's in Haarlem, Ikleerchinees.nll (meer info)

Uw bedrijf in de spotlights?
Handig voor korte acties zoals nieuw bedrijf of aanbiedingen. Max. 20 woorden. Lees hier meer..!

Deze week op televisie
China op TV en radio
Lees de tv tips voor de komende week op de
tv tips pagina.

Qing-dynastie (1644-1912)
    - Na 1820 -

Oorzaken verval
Witte Lotus-opstand
Opiumoorlog
Taiping-opstand
Tongzhi-restauratie en zelfversterking

Bokser-opstand en val van de dynastie

De oorzaken van de achteruitgang van de Qing-dynastie
De macht en prestige van de Qing-dynastie waren gedurende de 18e eeuw tot grote hoogte gestegen. Des te pijnlijker was het verval gedurende de 19e eeuw, dat tenslotte in 1911 tot het volledige einde van het Chinese keizerrijk leidde.
Zoals vaak bij de neergang van grote beschavingen zijn er meerdere diepere interne en externe oorzaken aan te wijzen, die tegelijkertijd een verwoestende uitwerking hadden op de maatschappij en regeringsapparaat, zoals:

    * Onvoldoende groei van de economie om de bevolkingsgroei te kunnen opvangen.
    * Toenemende corruptie.
    * Achteruitgang in de staatsinkomsten.
    * Steeds agressievere (in eerste instantie westerse, later ook Japanse) buitenlandse vijanden, gevoed vanuit het 19e eeuwse imperialisme.
    * Verslapping van het aloude Mantsjoe 'vendel-systeem' en  militaire discipline.
    * Uitholling van de persoonlijke macht en prestige van de keizer en hofhouding.
    * Het conservatisme binnen het staatsapparaat.

De meest in het oog springende gevolgen waren het onvermogen van de regering om de steeds aggressiever wordende buitenlandse machten in toom te houden en de binnenlandse opstanden effectief te bedwingen.

Er zijn gedurende de 19e eeuw verschillende pogingen ondernomen om het keizerrijk van de ondergang te behoeden door moderniseringen in te voeren. In tegenstelling tot Japan, dat met vergelijkbare problemen te kampen had, waren het echter telkens weer de conservatieve krachten, die zich met succes tegen hervormingen verzetten. Men zou kunnen zeggen, dat dit het keizerrijk pas echt de das omgedaan heeft.

Behalve de afschaffing van de keizerstroon en de misère voor grote groepen van de bevolking heeft de neergang van de Qing-dynastie geleid tot het gedwongen afstaan van grote gebiedsdelen. Bovendien heeft China moeten toestaan dat vreemde (westerse) mogendheden op verschillende plaatsen territoriale souvereiniteit op Chinees gebied uit konden oefenen. De gevolgen van de vernederingen worden nog steeds gevoeld en verklaren soms, ook nog in de 21e eeuw, bepaalde opvattingen en gedrag van de Chinese regering.

In de hierna volgende paragrafen zullen we ingaan op de meest belangrijke gebeurtenissen in het proces van het verval en de ondergang van de Qing-dynastie gedurende de negentiende eeuw.

De Witte Lotus opstand
Een van de eerste duidelijke tekenen van de verzwakking van de dynastie werd al in de nadagen van de Qianlong-keizer duidelijk in de vorm van de grote en hardnekkige Witte Lotus opstand in Centraal-China (aan de bovenloop van de Yangzi-rivier in het noord-westen van de huidige provincie Sichuan). In deze opstand speelden verschillende elementen een rol: Een verpauperde wanhopige boerenbevolking, uitgebuit door belastingpachters, tot opstand gedreven onder andere onder invloed van de Witte Lotus-sekte, een messianistische beweging, die de komst van de nieuwe Boeddha op aarde voorspelde. De opstand had ook een sterk anti-Mantsjoe karakter. Een van de slogans drukte het streven naar herstel van de Ming-dynastie uit. De reguliere troepen van de Qing bleken niet bij machte aan de guerrillataktieken van de opstandelingen het hoofd te bieden. Tenslotte wist de regering alleen met hulp van lokale militia's de overwinning te behalen. De opstand duurde van 1796 tot 1804.

De Opiumoorlog (1839-1842)
In 1800 hadden de Engelsen het recht verkregen zich permanent in Canton (Guangzhou) te vestigen en handel te drijven. Er waren vele restricties ten aanzien van het gaan en staan van de Britten en ten aanzien van de aard van de verhandelde goederen. Ook was de Chinese regering niet van zins diplomatieke relaties aan te knopen op een manier zoals dat tussen de Westerse machten onderling het geval was. Een dergelijke gewoonte paste helemaal niet in het beeld van wat de Chinezen onder buitenlandse relaties verstonden. In hun ogen was de keizer immers ver verheven boven de leiders van andere volkeren. China kon van hen slechts een ondergeschikte positie als tribuutstaat accepteren.
Intussen was het belang van de Engelse invoer van uit India afkomstige opium steeds meer gegroeid. Van een verwaarloosbare hoeveelheid voor 1800 was dit verslavende middel tegen 1840 een economische factor van betekenis geworden, die onder andere tot gevolg had dat de handelsbalans van China sterk negatief was geworden. Behalve dit aspekt had het op grote schaal gebruiken van opium ook negatieve sociale gevolgen.
In 1839 wilden de Chinese autoriteiten een einde maken aan het gebruik en de invoer van opium. De Daoguang-keizer stuurde speciaal gevolmachtige Lin Zexu, "commissaris Lin", naar Canton om alle opium te confisceren en een einde aan deze handel te maken. Hierop stuurden de Engelsen een expeditielegertje dat er ondanks hun geringe aantal in slaagde verschillende havens te blokkeren en zelfs in 1840 Shanghai te veroveren. Voor de Qing-regering zat er niets anders op dan de nederlaag te accepteren en het vernederende vredesverdrag van Nanjing (1842) te sluiten.
Het verdrag Nanjing hield o.a. dat een oorlogsschatting aan de Britten moest worden betaald, een vijftal zgn. verdragshavens werd geopend (Guangzhou (Canton), Amoy (Xiamen), Fuzhou, Ningbo en Shanghai), en dat een laag douanetarief en verregaande handelsvrijheid voor de Engelsen werd ingesteld. Tenslotte deed China 'voor eeuwig' afstand van het eiland Hong Kong (Xianggang in pinyin), destijds nog een vrijwel onbewoonde rotsige kust.

Na de Opiumoorlog volgden nog vele grote en kleine schermutselingen tussen de Engelsen en Chinezen, meestal naar aanleiding van onenigheid over de uitvoering van het verdrag van Nanjing. De Anglo-Franse expeditie die in 1857 en 1858 plaatsvond na een incident rond het scheepje de "Arrow" wordt hieraan refererend de "Arrow-oorlog" genoemd. Een gevolg hiervan was de bezetting van Peking door Franse en Engelse troepen in 1860.

Kaartje Taiping-opstand (midden 19e eeuw)
Kaartje met een indruk van de omvang van de grote Taiping-opstand. Het door de Taipings beheerste gebied verplaatste zich gedurende de opstand langzaam in oostelijke richting. In het kaartje d.m.v. verschillende kleuren weergegeven. De zwarte lijnen geven de huidige provinciegrenzen van de Volksrepubliek weer.

De Taiping-opstand (1850-1865)
De Taiping-opstand staat bekend als een van de grootste en bloedigste opstanden uit de wereldgeschiedenis. De schermutselingen begonnen in het zuiden in de provincie Guangxi maar breidden zich snel naar het noorden uit. De opstandelingen wisten op het hoogtepunt de hele middenloop van de Yangzi-rivier te beheersen. De oorzaken van de opstand waren veelvuldig: De werkloosheid en armoede van de plattelandsbevolking, de achteruitgang van het centrale gezag en het optreden van allerlei semi-religieuze bewegingen en geheime (anti-Mantsjoe) genootschappen.

De leider van de opstand was Hong Xiuquan, een door Christelijke ideeën geïnspireerde volksleider, die zichzelf zag als een jongere broer van Jezus Christus. Hij proclameerde in 1851 het Hemelse Koningkrijk van de Grote Vrede, tai ping tian guo, waarvan hijzelf de Hemelse Koning werd. Vanaf 1853 werd Nanjing - omgedoopt tot Tianjing (= Hemelse hoofdstad) - de hoofdstad van het opstandige gebied.

Munt uitgegeven door de TaipingMunt van de Taipings; Het opschrift luidt (van boven naar beneden, van reachts naar links): Taiping Tianguo "Hemels Rijk van de Grote Vrede".
(diameter: 28 mm)

In dit Hemelse koninkrijk heerste een nieuwe experimentele orde, die onder andere gebaseerd was op landverdeling en gelijke rechten voor de vrouw. De Taipings hadden hun door de Mantsjoe-overheersers verplichte haardracht (kaalgeschoren voorhoofd en haarvlecht) afgeschaft en droegen hun haren lang. De verhoudingen in deze nieuwe gemeenschap werden echter overschaduwd door felle onderlinge strijd, die tienduizenden het leven kostten. Door chaos en in onderling strijd moesten de Taipings langzamerhand steeds meer terrein prijsgeven aan de Qing-troepen. In 1865 ging het Hemelse Koninkrijk definitief ten onder. Hong stierf in 1864 al door ziekte of zelfmoord.

Andere opstanden; Geheime genootschappen.
Behalve de Taiping-opstand deden zich in nog veel meer min of meer grootschalige opstanden voor. Berucht waren de Nian-opstand (bedwongen in 1868) en opstanden van Moslims in de provincies Xinjiang, Gansu en Yunnan (bedwongen in 1873). De opstand in Xinjiang onder leiding van de Oezbeek Yakub Beg duurde maar liefst 20 jaar, tot 1878. Gedurende deze tijd was dit reusachtige gebied een praktisch onafhankelijke staat.
Veel onrust was veroorzaakt door zogenaamde geheime genootschappen. Dit fenomeen van clubs van politieke oppositionelen dateert al vanaf het einde van de Han-dynastie, toen de sekte van de Gele Tulbanden het centrale gezag bestreed. Met name in tijden van politiek verval staken zij regelmating in een of andere vorm de kop op; meestal waren ze actief over een zeer uitgestrekt gebied.

Penning in de vorm van een grote cash-munt (doorsnede ca. 35 mm) dat als lidmaatschapsbewijs diende van het geheime 'Goudgeld'-genootschap, dat actief was gedurende de Xianfeng-periode in het midden van de negentiende eeuw.

De Tongzhi-restauratie (1862-1874) en zelfversterking
Na de verwoestingen van de opstanden was er sprake van een opmerkelijk, herstel dat plaatsvond ten tijde van de regering van de Tongzhi-keizer (1862-1874). De landbouw en de functies van de staat werd nieuw leven ingeblazen door een actief beleid van de centrale regering en de lokale regionale machthebbers. Deze laatsten waren gedurende de ongeregelde tijden erg machtig geworden.

Het hierboven beschreven herstel, bekend onder de naam Tongzhi-restauratie, was op conservatieve leest geschoeid. Het gevaar dat van de westerse machten uitging werd nog nauwelijks onderkend.
Enige vooruitstrevende individuen, die geen deel uitmaakten van de regering of heersende elite, begonnen echter parallel aan de conservatieve restauratie aan een poging meer over de westerse technologie (met name militaire techniek) te weten te komen en in China toe te passen. Deze in aanzet succesvolle beweging staat bekend als de 'zelfversterkingsbeweging'. Er kwamen enkele industriële activiteiten op gang in China (mijnbouw, scheepsbouw, koopvaardij). Het gebrek aan kapitaal en de ouderwetse opvattingen over handel en commercie vormden echter een rem op deze ontwikkeling. Hierdoor, en door de welig tierende corruptie, is de zelfversterkingsbeweging uiteindelijk mislukt.

De grote klappen die de westerse mogendheden China toebrachten, leidde tot een ernstige aantasting van de souvereiniteit van de Chinese regering in grote delen van het territorium. Vele havens waren opengesteld voor westerse ondernemingen, waarbij in dergelijke 'verdragshavens' vaak exterritoriale concessies werden afgebakend, waarover de Chinese overheid geen zeggenschap had, bijvoorbeeld in Shanghai.
Hierbij kwamen nog gebieden die 'geleased' werden door de buitenlandse mogendheden. Rondom deze gebieden ontstonden ook nog eens 'invloedssferen', min of meer vooruitlopend op een te verwachten volledige ineenstorting en opdeling van het eens zo machtige keizerrijk. Door de voortdurende aantasting van de militaire en morele positie van de Qing-dynastie gingen ook grote buitengebieden daadwerkelijk verloren (o.a. het huidige Russische Oost-Siberië) evenals de invloed op de oude tribuutstaten Annam (Vietnam), Birma, Nepal en Korea.
In Korea had de concurrentie van Japan en China een ernstig conflict tot gevolg, resulterend in de Chinees-Japanse oorlog (1894-1895). China werd in deze oorlog verpletterend verslagen en moest bij de vrede van Shimonoseki o.a. Taiwan afstaan en een grote oorlogsschatting betalen.
Na de nederlaag tegen Japan groeide de onrust onder de bevolking over het overal zichtbare en voelbare verval en de dreigende ineenstorting. De nederlaag tegen Japan, deplorabele situatie in het land in het algemeen en de weigering van de Mantsjoes om de discriminatie jegens etnische Chinezen ongedaan te maken, veroorzaakten steeds vaker samenzweringen en opstandjes. Vaak hadden leden van geheime genootschapen de organisatie van de ontevredenheid in handen. In 1898 kwam er een hoofdzakelijk door moderne intellectuelen geleide hervormingsbeweging op gang, die vooral gericht was op modernisering van de staatsinstellingen. De beweging wist zels de Guangxu-keizer aan haar kant te krijgen. Na honderd dagen lukte het een groep conservatieven, waarin de keizerin-weduwe Cixi een belangrijke rol speelde, de beweging te onderdrukken en verschillende leiders terecht te stellen. De bekendste leider van deze beweging was Kang Youwei, die na de mislukking naar Japan kon ontvluchten. Deze poging tot hervorming wordt naar de duur hiervan de "Honderd Dagen" genoemd.

De boksers en de val van de Qing-dynastie
Na de 'Honderd Dagen' heersten de conservatieven weer in Peking. Deze conservatieven ondersteunden een obscure groep desperado's, 'boksers' genoemd, die hun frustraties over de deplorabele staat van het land vooral weten aan westerlingen en Chinese christenen. De boksers kwamen voort uit het geheime genootschap van de 'vuisten van gerechtigheid en harmonie' (Yihequan). Met steun van de regering belegerden zij vanaf 13 juni 1900 de wijk in Peking waar de westerse en Japanse diplomatieke vertegenwoordigingen gevestigd waren.

De keizerin-weduwe Cixi sympatiseerde openlijk met de bokserbeweging. Een andere prominente aanhanger van de boksers was Yuan Shikai, commandant van het Beiyang-leger en latere president van de Republiek. Onder de belegerde gebouwen bevond zich ook de residentie van de Nederlandse vertegenwoordiging, die echter vanwege de ongunstige ligging al in de eerste dagen van het beleg opgegeven moest worden. Om het beleg te breken stuurden de westerse machten troepen (8000 Japanners, 4800 Russen, 3000 Engelsen, 2100 Amerikanen, Fransen, Oosterijkers en Italianen) vanuit de havenstad Tianjin naar Peking.

De belegerden wisten het ondanks hun hachelijke positie tot de komst van de troepen uit te houden en werden op 14 augustus ontzet. Een van de gevolgen van de bokseropstand was, dat er vanaf die tijd permanent westerse troepen gelegerd werden in China. Hierbij kwam het verlies van een grote som geld als herstelbetaling en de eis tot bestraffing van de leiders van de opstand alsmede de leden van de ambtelijke top die met de boksers onder een hoedje hadden gespeeld. Na de bokseropstand belandde China, ondanks pogingen tot staatkundige hervormingen, in een toestand van steeds groter wordende anarchie. Een van de maatregelen ter modernisering van het staatsbestel was de afschaffing in 1905 van het examenstelsel. Dit betekende het einde van het confucianisme als officiële staatsfilosofie.
Politieke dissidenten zoals Sun Yat-sen beraamden de omverwerping van de dynastie. Sun werd in 1905 het hoofd van de revolutionaire alliantie Tongmenghui ("Verenigd genootschap"), de voorloper van de latere Guomindang-partij. Een van de opstanden - in Wuchang (een deel van Wuhan) - leidde op 10 oktober 1911 tot de overname van deze stad door republikeinse rebellen. Vanaf deze gebeurtenis viel de ene na de andere stad in de handen van de opstandelingen tot de volledige ineenstorting van het keizerrijk enige maanden later. 10 Oktober ( "double 10") wordt op Taiwan nog steeds gevierd als nationale feestdag. Formeel is de Chinese republiek uitgeroepen op 1 januari 1912 onder leiding van de eerste president en vroegere revolutionair Sun Yat-sen.



Laatst gewijzigd op: 17-4-2013
 
Gerelateerde pagina's  
Agenda: tentoonstelling keizerlijke kunst, Londen
Balkenende IV: Samen werken, samen leven
Boek: Bisschop Hamer uit Nijmegen niet zalig
portretten: keizers Qing-dynastie
portretten: politici en hervormers 19e eeuw
Qing-dynastie tot 1820
reageren op artikelreageren
Kijk ook eens op:
Bijzondere reizen 2013/2014
China webshop Zaiton
Ikleerchinees.nl
advertenties cultuur

 



Tip! Wilt u CHINEES LEREN? Ikleerchinees.nl / Geledraak.nl biedt doorlopend diverse cursussen aan, gegeven door professionele, ervaren docenten. Locatie: Haarlem-Zuid/Heemstede. Goed bereikbaar met trein.
Lees hier meer...

Het weer in Beijing