adverteren     onze diensten     Twitter     contact     disclaimer     privacy     redactiestatuut     over Geledraak.nl     sitemap  
 
 
Cultuur & geschiedenis > Geschiedenis 
artikel doorsturen  

Gastpagina's

VNC Asia Travel - al 35 jaar
Dé China specialist!
Geld wisselen
Jouw Chinareis
Stichting EuSino
DimSum reizen
China online reizen
Beijing Service Bureau
Yangshuo Travel
MING Translations
Chinees leren in Beijing
China Minority Travel
WondersofYunnan



In de spotlights:

Anton Lustig 8 tot 22 oktober in NL beschikbaar voor presentatie. Expert taal Jingpo-volk in dorpen grensgebied China-Birma: drugs & aids, kinderen kansarm, vandaar oprichting
Prop Roots. antonlustigATgmail.com


Cursussen Chinees op diverse niveau's in Haarlem, Ikleerchinees.nll (meer info)

Uw bedrijf in de spotlights?
Handig voor korte acties zoals nieuw bedrijf of aanbiedingen. Max. 20 woorden. Lees hier meer..!

Deze week op televisie
China op TV en radio
Lees de tv tips voor de komende week op de
tv tips pagina.

De Republiek
(1912-1949)

De jaren van Yuan Shikai (1912-1915)
De warlords (1917-1927)

Vierde Mei-beweging (1919)
Oprichting CCP
Eerste eenheidsfront
Intermezzo: vlaggen van de Republiek
Noordelijke expeditie
Nanking-periode (1927-1937)
De Lange Mars (1934/5)
Manzhouguo
De Tweede Wereldoorlog in China (1937-1945)
Burgeroorlog (1945-149)

De eerste helft van de twintigste eeuw was één van de de meest ingrijpende periodes in de lange geschiedenis van China. Het keizerrijk stortte definitief ineen en liet een grote leegte achter. (Zie het verhaal van de ondergang van de Qing-dynastie). Wat volgde was een gewelddadige en verwarrende halve eeuw, waarin het land langs de rand van de afgrond ging. Uit een chaotische verdeeldheid en bloedvergieten door burgeroorlog en buitenlandse agressie ontstond desondanks een nieuwe Chinese staat en maatschappij, die in alle opzichten totaal verschilde van het oude keizerrijk. De republiek vormde achteraf gezien het scharnier tussen het oude en het nieuwe China.

De eerste jaren (1912-1915): Yuan Shikai 
De opstanden tegen de Qing-regering eind 1911 leidden onverwacht snel tot de ineenstorting van het oude keizerrijk. De leider van de revolutionaire partij, de Tongmenghui, Sun Yat-sen, haastte zich vanuit zijn ballingschap naar China, waar zijn medestanders zojuist de macht in handen hadden gekregen. Ten tijde van de omverwerping van het keizerrijk bevond hij zich in de Verenigde Staten, waar hij op zoek was naar steun voor zijn revolutionaire ambities. Hij riep onmiddellijk na zijn terugkomst in Nanjing de repbliek uit en werd eind 1911 als eerste, zij het voorlopige, president gekozen. In het noorden had generaal Yuan Shikai zich echter meester gemaakt van Peking en met steun van zijn vrienden in het leger, de macht over heel Noord-China gevestigd. Op 12 februari 1912 deed de laatste keizer Pu Yi, 9 jaar jong, formeel troonsafstand en droeg het regentschap onder leiding van de keizerinweduwe de macht feitelijk aan Yuan over. Onder invloed van deze ontwikkelingen en in het belang van de nationale eenheid zag Sun Yat-sen af van het presidentschap van de nieuwe republiek en accepteerde hij dat Yuan Shikai dit ambt zou uitoefenen.

Yuan ShikaiDe regering van Yuan werd al gauw gekenmerkt door een dictatoriaal gezag steunend op corruptie, vriendjespolitiek en geweld - inclusief moord. In augustus 1912 werd door samenwerking tussen een aantal oppositionele groeperingen, waaronder de Tongmenghui van Sun Yat-sen, een nieuwe nationalistische partij opgericht: de Guomindang (Nationalistische partij, Kuomintang, KMT).

Yuan Shikai in gala-uniform.

Hoewel de Guomindang in 1913 een meerderheid in het parlement verwierf, trok Yuan zich daar niets van aan. De leider van de nieuwe partij in het parlement, de veelbelovende 30-jarige Song Jiaoren, werd na zijn electorale succes op instigatie van Yuan op klaarlichte dag op het station van Shanghai vermoord.
In 1913 probeerden de zuidelijke provincies zich los te maken van het bewind in Peking. Yuan wist de opstand in september van dat jaar echter te onderdrukken. Sun Yat-sen, die deze opstand ondersteunde, moest andermaal zijn toevlucht in Japan zoeken. In 1915 stuurde Yuan het parlement naar huis en verklaarde de Guomindang illegaal. Yuan greep de kans om zichzelf tot keizer uit te roepen. (Hij koos als periodetitel Hongxian). Zijn getrouwen, eveneens machtige militairen die lokaal de lakens uitdeelden, waren het hiermee echter niet eens en verhinderden de uitvoering van zijn plan. Zijn dood in 1916 maakte een definitief einde aan zijn keizerlijke ambities.

Intussen was de bemoeienis en infiltratie van de Westerse machten en Japan in China onverminderd doorgegaan. Met de steun van de buitenlandse machten aan allerlei lokale potentaten had de regering in Peking haar greep op grote buitengebieden, zoals Tibet en Mongolië, al praktisch verloren. Financieel was China door een monsterlening, die ook nog eens door Yuan op zeer ongunstige voorwaarden was aangegaan, tot in lengte van jaren verlamd. Overal in China ontstonden extraterritoriale gebieden, onttrokken aan het gezag van de  regering in Peking.

De "21 eisen" van Japan
Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak bezette Japan de tot dusver door Duitsland beheerste pachtgebieden in de provincie Shandong. De regering in Peking verzette zich hiertegen, maar was niet opgewassen tegen de Japanners die hier bovenop nog een aantal eisen stelden, de zogenaamde "21 eisen". Deze eisen hielden in dat de regering de soevereiniteit van het land praktisch zou moeten overdragen aan Japan. Zo zou China moeten toestaan dat Japanners, zogenaamde adviseurs, alle sleutelposten in regering, bestuur en industrie zouden bezetten.
Deze vernederende eisen hadden grote verontwaardiging tot gevolg in de pers en bij brede lagen van de Chinese bevolking. Er hadden spontane demonstraties plaats en Japanse goederen werden geboycot. Hierdoor en de door de afwijzing door de Verenigde Staten van de Japanse eisen, werd een gedeelte, waaronder de meest vernederende, ingetrokken. Toch bleef de greep van Japan op China verlammend. Deze gebeurtenissen luidden een lang tijdperk in van directe invloed en gedeeltelijke overheersing door Japan. Vooruitstrevende krachten in China hadden Japan voorheen gezien als het grote voorbeeld voor de eigen ontwikkeling. Die bewondering was nu voorbij.

De Warlords (1917-1927)
Na de dood van Yuan Shikai in 1916 was het centrale gezag in China praktisch verdwenen. Het land werd geregeerd door lokale krijgsheren, de 'warlords'. Een warlord beheerste over het algemeen een beperkt territorium met behulp van troepen - vaak een samenraapsel van arme sloebers en bandieten, nauwelijks gewapend - die alleen aan hem gehoorzaamden. Vaak oefenden deze plunderende en moordende legers een ware terreur en verwoesting uit onder de bevolking. De ene machteloze president van de republiek volgde de andere op zonder iets te kunnen doen aan deze wanorde.

Grafstenen van Chinese koelies die tijdens en na de Eerste Wereldoorlog aan geallieerde kant als arbeiderskorps dienst deden achter de frontlinies van Noord-Frankrijk. Dit speciale Chinese kerkhof bij Noyelles sur Mer (Dep. Somme) telt 842 grafzerken. In het totaal zijn ongeveer 96.000 Chinese vrijwilligers naar het front in het noordwesten van Frankrijk verscheept, van wie er ongeveer 2000 het leven lieten. Ze stonden voornamelijk onder Engels contract. Hun behandeling en levensomstandigheden waren, zelfs wanneer men de tijd en oorlogstoestand in aanmerking neemt, erbarmelijk. Hun verhaal is beknopt maar indringend beschreven in een hoofdstuk uit het boek "Het huis van Han" door Karina Meeuwse.(Foto: ©Geledraak.nl)

In Peking woedde een constante machtstrijd, waarmee de warlords zich niet zelden bemoeiden. Soms schopten deze kleurrijke, maar meedogenloze avonturiers het zelf tot president. Dieptepunt was de poging van één van hen, generaal Zhang Xun, een vroegere gouverneur van Anhui, die trachtte in 1917 de Qing-dynastie onder keizerschap van Puyi weer te herstellen. Zijn initiatief kreeg geen steun, de staatsgreep mislukte en de warlord Duan Qirui, premier sinds 1916, kon zijn positie in de hoofdstad weer innemen. Onder zijn premierschap mengde China zich in augustus 1917 in de Eerste Wereldoorlog aan geallieerde zijde. Een van de redenen om aan de oorlog deel te nemen was het afsluiten van grote leningen, door Duan Qirui met Japan, zogenaamd voor de oorlogsvoering tegen Duitsland. In werkelijkheid had hij het geld nodig om de strijd tegen zijn rivalen te financieren. In ruil voor deze leningen kreeg Japan allerlei rechten in Mantsjoerije en werd het hen o.a. toegestaan om er troepen te legeren. Behalve vele onbetekenende warlords waren er enkele die met name in Noord-China langdurig de lakens uitdeelden, dan eens elkaar bestrijdend, dan weer in coalitie. Bekende namen zijn Zhang Zuolin ("de Oude Maarschalk"), heerser over Mantsoerije. Vanuit Shaanxi voerde Feng Yuxiang voortdurend oorlogen met en tegen zijn collega's. Hij werd "de Christelijke Generaal" genoemd. Volgens de overlevering doopte hij zijn soldaten met de brandslang. 
In Shanxi heerste Yan Xishan ("De modelgouverneur"), die zich in ieder geval om het lot van zijn soldaten en onderdanen bekommerde en slechts zelden Shanxi verliet om zich met andere te meten. Hij wist zelfs een zekere populariteit in deze provincie te bereiken. Tegenwoordig kan men, zelfs onder het communistische bewind, een museum bezoeken dat is opgericht ter zijner nagedachtenis. Het is gevestigd in zijn voormalige residentie nabij Taiyuan in Shanxi. Een van de belangrijkste Warlords was Wu Peifu, wiens machtgebied vooral in de provincies Henan en Hubei lag.

(Van een aantal van de machtigste warlords is een korte biografie op deze site opgenomen) 

In de jaren 1926-27 was het gedaan met de macht van de meeste warlords, toen Chiang Kai-shek tijdens en als gevolg van zijn "Noordelijke Veldtocht" hen ofwel versloeg ofwel aan zich bond. (Zie de desbetreffende paragraaf verderop).

De Beweging van vier mei (1919): De Nieuwe Cultuurbeweging Ondanks de belabberde politieke situatie in het land maakte China in deze 'Warlord'-periode een beslissende omwenteling door in het culturele denken. Deze omwenteling, later 'De Nieuwe Cultuurbeweging genoemd,  werd vooral gevoed door westerse ideeën. Reeds sinds de afschaffing van het examenstelsel en het daarmee verbonden confucianistische staatsbestel in 1905, werd de deur geopend voor Westerse en andere moderne invloeden. In de chaotische omstandigheden rond de val van het keizerrijk en de eerste jaren van de republiek ontstonden overal haarden van creatieve vernieuwingsgedachten.

Het centrum van deze creatieve vernieuwingsbeweging lag in Peking met als zwaartepunt de Universiteit van deze stad (Beijing Daxue, afgekort Beida ook gespeld als 'Peita'). Hier werkten in het westen opgeleide intellectuelen, die zich spoedig als leiders van het moderne China zouden ontpoppen. Een van de bekendste onder hen was Chen Duxiu. Hij richtte in 1915 Xinqingnian (letterlijk: "Nieuwe Jeugd") het tijdschrift voor vernieuwing op, dat als ondertitel "La Jeunesse" had. In dit maandelijks verschijnende blad schreven en debatteerden de meest invloedrijke vernieuwers. Artikelen over westerse wetenschap, uitvindingen, moderne kapitalistische en socialistische concepten en democratie vonden brede belangstelling bij de lezers. Het confucianisme werd als achterlijk afgeschreven. Bovendien was dit tijdschrift een spreekbuis voor taalkundige vernieuwing. De schrijver en taalgeleerde Hu Shi hield er een pleidooi voor het gebruik van spreektaal in de literatuur, een idee dat veel navolging verkreeg en zo de bloei van de moderne Chinese literatuur mede tot gevolg had. Na de Russische revolutie van 1917 vonden ook marxistische denkbeelden hun weg naar deze modernisten.
De verontwaardiging over de voor China zo ongunstige Vrede van Versailles in 1919 gaf een extra impuls aan de vernieuwingsbeweging en het nationale bewustzijn van de Chinezen. Er was namelijk overeengekomen dat Japan zijn voormalige Duitse pachtgebieden in Shandong mocht behouden ondanks het feit dat China zich tijdens de Eerste Wereldoorlog ook aan de zijde van de Geallieerden had geschaard. Op 4 mei 1919 demonstreerden studenten van de Beida in Peking tegenover de Poort van de Hemelse Vrede (Tiananmen). De demonstraties werden weldra overgenomen door vele anderen overal in China. De demonstraties hadden een sterk nationalistisch en anti-Japans karakter. Het sentiment dat bij deze gelegenheid werd opgewekt bleef nog jaren de intellectuele ontwikkelingen beïnvloeden en staat bekend als de 'Vier mei beweging'. Een ander gevolg van de moderniseringen en invloed uit het Westen was het ontstaan van een stedelijke arbeidersklasse, die zich ervan bewust werd een politiek groep te zijn die gewicht in de schaal kon leggen.

Hoewel er vele jaren van maatschappelijke en culturele veranderingen aan die 4e mei in 1919 vooraf gegaan waren, beschouwen vele historici en politici de 'Vierde mei' als het beginpunt van het moderne China. Kang Youwei vergeleek de studenten met de helden van de Song-dynastie, die zich eveneens niet wilden neerleggen bij de verkwanseling van China's belangen onder druk van buitenlandse overweldigers. Het geheel van culturele ontwikkelingen waaruit de geest van de Vierde Mei-beweging voortkwam en die typerend was voor de jaren voor 1919 wordt de "Nieuwe Cultuurbeweging" genoemd.

Oprichting van de communistische partij (CCP)
Een direct uitvloeisel van de gebeurtenissen op de Vierde Mei was de oprichting van de communistische partij van China (CCP) tijdens een conferentie van marxisten in 1921 in de Franse concessie van Shanghai.
Aanwezig waren 50 gedelegeerden uit verschillende delen van China, onder wie Li Dazhou, Chen Duxiu en de jonge Mao Zedong. Afgevaardigd door Communistische Internationale (Komintern) was de Nederlander Henk Sneevliet.

Het eenheidsfront tussen nationalisten en communisten.
In 1917 was Sun Yat-sen teruggekeerd in China en had vanuit de zuidelijke machtsbasis van de Guomindang in Guangzhou (Canton) een tegenregering gevormd. Deze regering was zwak, onder andere door de gebrekkige organisatie van de partij. Sun zag de goed georganiseerde communistische partij als voorbeeld van hoe het er in zijn eigen partij aan toe moest gaan. De wens tussen de nationalisten en de communisten om tot samenwerking te komen bestond van beide kanten. De door Rusland gedomineerde Communistische Internationale (Komintern) had het al aangegeven: het westerse imperialisme en kapitalisme konden het best worden bestreden, wanneer de CCP een verbond ("eenheidsfront") zou aangaan met de nationalisten van Sun. Sneevliet wist Sun van de voordelen van zo'n pakt te overtuigen.
Onder invloed van de Komintern nam hij de voornamelijk tegen het Westen gerichte anti-imperialistische ideologie over. Gunstig hierbij was dat Rusland na de revolutie van 1917 - althans in theorie - vrijwillig afstand had gedaan van alle imperialistische aanspraken op Chinees grondgebied. Een belangrijke invloed ging ook uit van de Rus Borodin, die in 1923 in China gearriveerd was en Sun Yat-sen van vele nuttige adviezen voorzag.
Niet allen werkte Sun nu met de communisten samen, hij werd ook voorstander van een door de partij geleide staat; Voor die tijd propageerde hij juist de westerse (liberale) ideeën over de inrichting van een staat met minimale overheidsbemoeienis. In sociale politiek volgede de Guomindang de communisten echter niet. Sun was bepaald geen voorstander van verregaande landhervorming.

Statieportret van Sun Yat-sen. (Pinyin: Sun Yixian; 1866-1925) Sun wordt door communisten én nationalisten beschouwd als de 'Vader van de Chinese Revolutie'.

Ondanks deze bestaande ideologische tegenstellingen kwam het in 1924 tot het gewenste eenheidsfront. De overeenkomst voor samenwerking tussen de Guomindang en de CCP hield in dat de CCP-leden lid van de Guomindang werden. Binnen deze partij bleven zij echter wel als een aparte groep bestaan. De overeenkomst met de Komintern leidde eveneens tot militaire steun vanuit Rusland voor dit eenheidsfront.
Behalve uit wapens bestond de steun uit de komst van militaire adviseurs (waaronder de Russische generaal Galen), training van het leger van de Guomindang en de oprichting in 1924 van een professionele militaire academie in de buurt van Guangzhou, de zogenaamde Huangpu (of Whampoa) militaire academie.Chiang Kai-shekDe jonge Chiang Kai-shek  werd er in 1924 als eerste commandant benoemd.

Chiang Kai-shek ca. 1923 (Pinyin: Jiang Jieshi; 1887-1975)

Een van de latere prominente leiders van de communistische partij en Volksrepubliek, Zhou Enlai, was er zijn directe ondergeschikte.
In 1925 reisde Sun Yat-sen naar Peking om door onderhandelingen met de lokale warlords tot deelname van de Guomindang aan de regering te komen. Hij overleed daar echter in datzelfde jaar aan kanker.


Intermezzo: De vlaggen van de Republiek China

Vlag van de Chinese republiekNationalistische (KMT) vlag

De linkerafbeelding is de weinig bekende vlag van de Chinese Republiek, ingevoerd vanaf 1912 en gebruikt tot 1928. (Afgezien van een herinvoering in de Japanse marionettenstaat in Noord-China, tijdens de Chinees-Japanse oorlog van 1937-1945). De kleuren stellen de verschillende bevolkingsgroepen voor die in de Republiek samenleefden. (Rood: Mantsjoes; Geel: Han-Chinezen; Blauw: Mongolen; Wit: Moslims; Zwart: Tibetanen)
Rechts de bekende ROC vlag. Deze vlag werd na de succesvolle machtsovername van de Guomindang in 1928 de officiële vlag en is nog steeds de vlag van de R.O.C. (op Taiwan).

Deze Informatie is ontleend aan de flagspot website, waar meer uitgebreide informatie te vinden is over de symbolische betekenissen van kleuren en patronen van de vlaggen en over een aantal andere vlaggen, die destijds in China in gebruik waren.

De Noordelijke expeditie en de breuk tussen Guomindang en CCP (1926-1927)
In 1926 lanceerde Chiang Kai-shek een militaire veldtocht vanuit zijn machtsbasis in de omgeving van Guangzhou (Canton) en trok op naar het noorden. In snel tempo veroverde hij de steden Wuhan en later (begin 1927) Shanghai. Inmiddels was Chiang met een aantal andere prominente leden van de rechtervleugel van de Guomindang niet meer tevreden met de linkse koers die de Guomindang na de dood van Sun Yat-sen onder invloed van de communisten en andere linkse Guomindang-prominenten was ingeslagen. Zij drongen aan op verbreking van de band met de communisten.
In april 1927 pleegde Chiang een staatsgreep binnen de Nationalistische partij waarbij een aantal van de meest prominente leiders van de CCP de dood vonden. In de hierop volgende communistenvervolgingen werden velen het slachtoffer. Berucht was de moordpartij in Shanghai, waarbij naar schatting vijfduizend (vermeende) communisten en hun sympathisanten de dood vonden. Hiermee was aan het eenheidsfront tussen Guomindang en CCP een einde gekomen.

Een andere ramp voor de CCP vond een aantal dagen eerder plaats: In Peking werd een twintigtal vooraanstaande communisten geëxecuteerd, onder wie de leider van de partij Li Dazhou, door de plaatselijke warlord, Zhang Zuolin. Minder bekend zijn de zuiveringen en moordpartijen in en rondom andere steden zoals Wuhan en Changsha (Hunan), waar tienduizenden om het leven kwamen. Hierop gingen de overgebleven, uiteengeslagen, communisten ondergronds. Gedurende het jaar 1927 werd de oorspronkelijk miljoenen aanhangers tellende communistische organisatie vrijwel vernietigd. Het fiasco had tevens grote interne onenigheid binnen de leiding van de CCP tot gevolg. In dit klimaat begon de ster van Mao Zedong langzaam te rijzen.

De van communisten en linkse sympathisanten gezuiverde Guomindang vestigde in 1928 een regering in Nanking (Nanjing). Gedurende dat zelfde jaar veroverden de legers van Chiang Kai-shek Peking en slaagde hij erin de noordoostelijke provincies (Mantsjoerije) aan zich te binden. Hiermee was het centrale gezag - ditmaal vanuit de hoofdstad Nanjing (=zuidelijke hoofdstad) - in China weer hersteld. Peking veranderde van naam: Van Beijing (= Noordelijke Hoofdstad) naar Beiping (=Noordelijke Vrede). De keuze voor Nanjing als hoofdstad was onder andere ingegeven door de wens van de nationalistische regering om letterlijk en figuurlijk afstand te houden van de intimiderende aanwezigheid van de buitenlandse mogendheden, die in Peking sinds de bokseropstand uitgebreide exterritoriale rechten bezaten.

De Nanking periode (1927 - 1937)
Na de dood van Yuan Shikai en de chaotische periode van verdeeldheid onder de warlords was er pas weer vanaf 1927 enigszins sprake van een centrale regering, gevestigd in de hoofdstad Nanjing, waarvan enig gezag over geheel China uitging. Deze regering stond niet formeel doch wel feitelijk onder leiding van Chiang Kai-shek (Jiang Jieshi). Ondanks het schijnbare herstel van de staatkundige eenheid van China en enige successen op economisch gebied, werd de wankele regering in Nanking voortdurend bedreigd door binnenlandse en buitenlandse vijanden. Hierdoor steeg het belang en de macht van het leger en daarmee de macht van Chiang Kai-shek. Voor wat betreft de bedreiging vanuit het buitenland moest het bewind in Nanjing zich vooral teweer stellen tegenover Japan, dat zich gedurende de komende jaren grote delen van Noord-China zou toeëigenen.
In de loop van de eeuw was een diepe kloof ontstaan tussen de grote stedelijke centra (de machtsbases van de Guomindang) en het achtergebleven platteland. De Guomindang had vanaf het begin van haar bestaan nooit greep gehad op het platteland. De door de gebeurtenissen in 1927 zwaar aangeslagen communisten maakten handig gebruik van deze zwakte en versterkten hun macht vanuit deze voor het nationalistische regeringsapparaat ontoegankelijke binnenlanden. Deze communistische bedreiging werd versterkt door het falen van de nationalistische regering om de welig tierende corruptie te bestrijden en te zorgen voor voldoende inkomsten om de staatsuitgaven te bekostigen. Dit had onder meer een rampzalige inflatie tot gevolg waarvan vele gewone Chinezen het slachtoffer werden.
Op cultureel gebied was het bewind van de Guomindang in alle opzichten reactionair en vervreemdde zich van de nieuwe cultuurbeweging uit de begintijd van de Republiek. Als reactie zochten vele intellectuelen hun heil bij linkse ideologieën. China's belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw, zoals Lu Xun en Lao She, schreven hun beste werken vanuit een sociaal geëngageerd perspectief, de sociale misstanden aan de kaak stellend.
Tenslotte werd de Guomindang steeds meer afhankelijk van de steun van het leger, (corrupte) lokale machthebbers en het grootkapitaal.

De Lange Mars en de conferentie van Zunyi: Mao aan de leiding van de CCP
Na het debacle in 1927 van het eenheidsfront met de Guomindang waren de communisten volledig van alle macht beroofd. Sommigen probeerden zich ondergronds in de steden te organiseren, anderen - zoals Mao Zedong - zochten hun heil op het platteland en voerden van daaruit een guerrillaoorlog tegen de nationalistische regering.
Diegenen die het communistische verzet vanuit de grote steden probeerden te organiseren konden het niet winnen van de harde repressie door de Guomindang en moesten hun pogingen vaak met de dood bekopen. Op het platteland hadden gevluchte communistische leiders in het grensgebied tussen de provincies Jiangxi en Hunan een groot gebied in handen gekregen, de "Jiangxi-Sovjet". Daar konden zij met enig succes een stabiel bewind vestigen met toepassing van verschillende communistische idealen, zoals landhervorming. Mao maakte deel uit van deze communistische enclave, maar had aanvankelijk nog geen noemenswaardige machtspositie binnen de CCP. Vanuit de Jiangxi-Sovjet voerden de communisten een guerrillaoorlog tegen de Nationalisten. In het begin van de jaren dertig slaagden de troepen van Chiang Kai-shek er echter steeds beter in om door verbeterde tactieken (o.a. opgedaan van Duitse militaire adviseurs) de communistische strijders in het nauw te drijven. Toen de zaak hopeloos dreigde te worden, besloot de leiding van de CCP in 1934 om uit de omsingeling te breken en met zoveel mogelijk mensen naar het noordwesten van China te trekken. Deze tocht, die duurde van oktober 1934 tot oktober 1935, staat bekend als de "Lange Mars" (Changzhen).


Kaartje van de route van de "Lange Mars". In het zuiden waren de communisten omsingeld en ze probeerden nu het veiligere gebied in het noorden van de provincie Shaanxi te bereiken.

Het eindpunt van de tocht was voor de meeste overlevenden de stad Yan'An (Yenan) in de ruige bergachtige streek in het noorden van de provincie Shaanxi. Behalve Mao bevonden zich onder hen de latere kopstukken van de Volksrepubliek Zhou Enlai en generaal Zhu De.
Onderweg in de stad Zunyi (provincie Guizhou) vond in januari 1935 een gedenkwaardige conferentie plaats, waaruit Mao Zedong als onbetwist leider van de CCP tevoorschijn kwam. Mao oefende tijdens deze conferentie harde kritiek uit op de toenmalige leiders van de CCP.

De Japanse marionettenstaat Manzhouguo en het tweede eenheidsfront.
In het kielzog van de succesvolle Meiji-restauratie in de 19e eeuw voerde Japan een steeds expansievere politiek uit op het Aziatische vasteland. De belangrijkste resultaten hiervan waren de verovering van Korea (geannexeerd in 1910), de gewonnen Chinees-Japanse oorlog in 1894-95, de overwinning op Rusland tijdens de Russisch-Japanse oorlog (1904-5) en de overname van de Duitse pachtgebieden op het Shandong-schiereiland na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Puyi als keizer van Manchukwo (Manzhouguo) in 1934 

Links: De voormalige keizer van China, Puyi, als Kangde-keizer van de marionettenstaat Manzhouguo (1934).

Een uiting van het toegenomen Japanse zelfbewustzijn en expansiedrift waren de hierboven genoemde "21 eisen" en de uitbreiding van industriële belangen in Mantsjoerije, het noord-oosten van China. (Tegenwoordig bestaat dit gebied uit de noord-oostelijke provincies Liaoning, Heilongjiang en Jilin.)

In september 1931 vond er bij de stad Mukden (Shenyang in Pinyin) een bomaanslag plaats waarbij volgens Japan, leden van het Japanse Guandong-leger het doelwit vormden. (Guandong is de zuidelijke punt van het Liaoning-schiereiland, dat de Japanners als pachtgebied verwierven na hun overwinning op Rusland in 1905. De leiding van het Guandong-leger voerde een eigen politiek, onfhankelijk van de regering in Tokio, gericht op de annexatie van Mantsjoerije door Japan.) Dit door de Japanners zelf gefabriceerde 'Mukden incident' vormde de aanleiding voor een volledige bezetting van Mantsjoerije. Om de feitelijke annexatie van Mantsjoerije enigszins te verhullen werd er in 1932 op dit territorium een zogenaamd onafhankelijke staat opgericht, Manzhouguo (Mantsjoekwo, Manchukuo) genaamd. Staatshoofd werd de vroegere Chinese keizer, Puyi, die in 1934 de titel van Kangde-keizer aannam.
Naar aanleiding van een onderzoek door de Volkenbond, waaruit onomwonden bleek, dat het Japanse leger zelf het Mukden-incident veroorzaakt had, verliet Japan uit protest deze organisatie in 1936. Als gevolg van deze veroordeling werd Manzhouguo, behalve door Japan, door geen enkele andere staat van belang erkend.

In oktober 1936 viel Japan Binnen-Mongolië binnen. Terwijl de Japanse aanwezigheid in China zich steeds verder uitbreidde, hield de regering in Nanking zich vooral bezig met het verjagen en achtervolgen van de communisten. Deze politiek stuitte op steeds meer weerstand, ook binnen de Guomindang. De roep om de wapenen tegen Japan op te pakken in plaats van tegen de communisten werd steeds luider. Ook binnen de Komintern en de CCP was men voorstander van zo'n verbond, ondanks de bittere ervaringen met een dergelijke samenwerking tegen de warlords een aantal jaren eerder (het eerste eenheidsfront). Eind 1936 - na de Japanse inval in Binnen-Mongolië - werd Chiang Kai-shek door eigen troepen in Xi'An ontvoerd met de bedoeling hem tot medewerking aan een verenigd front te dwingen. Deze gebeurtenis staat bekend als het Xi'an-incident. Na bemiddeling van Zhou Enlai kwam het tweede verenigd front inderdaad op deze miraculeuze wijze tot stand en werd Chiang weer vrijgelaten. De samenwerking was vanaf het begin weliswaar slecht, maar voor het eerst richtten de Chinezen zich actief tegen de Japanse expansie op Chinees grondgebied.

De Tweede wereldoorlog (1937-1945)
Vanaf juli 1937 opende Japan op grote schaal de vijandelijkheden. De aanleiding vormde het zogenaamde Marco Polobrug-incident op 7 juli 1937. Japanse troepen vielen in de buurt van deze eeuwenoude brug (even ten zuid-westen van Beijing) de Chinese troepen aan. Dit deden zij na de weigering van Chinese zijde om Japanse troepen tot Chinees territorium toe te laten. De reden voor dit 'verzoek' was het zoeken naar een vermiste Japanse soldaat. Een snelle verovering van geheel Noord-China volgde. Vanaf augustus werden de stedelijke centra aan de benedenloop van de Yangzi-rivier aangevallen. Shanghai viel in november. De veroveringen gingen gepaard met bombardementen op burgerdoelen en met het vermoorden op grote schaal van burgers en krijgsgevangenen. Een van de meest dramatische gebeurtenissen was de Japanse aanval op Nanjing, dat - hoe onverstandig ook - door het nationalistische leger verdedigd werd. Ook hierbij werden op grote schaal de burgerbevolking gebombardeerd, vrouwen verkracht en burgers, jong en oud, op wrede wijze gemarteld en vermoord. De herinnering aan deze traumatische gebeurtenissen - bekend als het "bloedbad van Nanking (Nanjing)" ("the rape of Nanking") - doen nog altijd regelmatig de gemoederen in de Japans-Chinese relaties hoog oplaaien. De troepen van Chiang moesten nederlaag na nederlaag incasseren en zich steeds verder terugtrekken. Hierdoor zag de nationalistische regering zich in 1938 gedwongen haar zetel ver in het binnenland in Chongqing (Chungking, provincie Sichuan) te vestigen, waar ze zich tot het einde van de oorlog kon handhaven. De eerste jaren van de Chinees-Japanse oorlog, in China de "Grote Vaderlandse Oorlog" genoemd, kunnen beschouwd worden als een voorfase van de mondiale Tweede Wereldoorlog.

Japanse beztting van China tijdens WO II
Het kaartje toont in rood de Japanse bezetting van grote delen van China tijdens de Tweede Wereldoorlog. De nationalistische regering o.l.v. Chiang Kai-shek had als voorlopige hoofdstad Chongqing (Chungking) in Sichuan; Het hoofdkwartier van de door de CCP o.l.v. Mao Zedong beheerste gebieden was gevestigd in de stad Yan'an (Yenan) in de provincie Shaanxi. Pas in 1944 werd de verbinding tussen de bezette gebieden rondom Guangzhou in het zuiden en de gebieden rond de Yangzi-rivier door de Japanners tot stand gebracht.
(Gegevens ontleend aan "The rise of modern China" I.C.Y. Hsü)

De Japanse legerleiding zette in de bezette delen van China met hulp van collaborerende Chinezen marionettenregeringen op, op dezelfde wijze als ze eerder in Manzhouguo gedaan hadden. Vooral op het platteland groeide het verzet en ontstonden er haarden van - meestal door communisten geleide - guerrilla-activiteiten.

In de niet door Japan bezette gebieden heerste er gedurende de hele oorlog rivaliteit tussen communisten en nationalisten. De bezetting zelf, deze rivaliteit en de economische malaise veroorzaakten een gebrek aan alles onder de bevolking. Een van de grootste problemen in de door de nationalisten beheerste gebieden was het onvermogen van de regering in Chongqing om de inflatie een halt toe te roepen. Hierbij kwam een niet-aflatende ideologische strijd van de regering tegen alles wat mogelijk links was, die het klimaat in het 'vrije' China verstikte. Ondertussen voerden de communisten, opgesloten in het noordwesten van China, guerrilla-aanvallen uit op bezet gebied. Met veel moeite wisten ze hier en daar (vooral in de provincie Shanxi) kleine, moeilijk toegankelijke, gebiedjes vast te houden.

Mao ZedongDe CCP slaagde er onder leiding van Mao Zedong in om een gedisciplineerde organisatie op te zetten die wortels had in alle lagen van de bevolking.

Mao Zedong (ca. 1938)

Het communistische leger wist zichzelf te bedruipen zonder te parasieteren op de boeren, zoals dat bij de nationalisten het geval was en wist in het algemeen steun te krijgen van de bevolking. Het succes van Mao bewees ook dat de Chinese variant van het marxisme, steunend op de boerenbevolking in plaats van op het stedelijke arbeidersproletariaat, levensvatbaar was, ondanks de vroegere scepsis van orthodoxe communisten binnen de Komintern, waaronder Stalin.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941 stond China niet meer alleen in de strijd tegen Japan en kon het rekenen op actieve Amerikaanse steun. Deze steun (leningen en wapenleveranties in het kader van een 'Lend-Lease'-overeenkomst) kwam echter uitsluitend ten goede aan de regering in Chongqing. Als speciale afgezant van de Amerikaanse regering en militaire adviseur werd generaal "Vinegar" Joe Stilwell ingezet, officieel als de chef-staf van Chiang Kai-shek en bevelhebber van de Chinese troepen in Birma. Beide mannen konden echter slecht met elkaar overweg.

StilwellGeneraal "vinegar" Joe Stilwell (1883-1946)

De redenen voor de slechte relatie waren verschil in inzicht in de te volgen tactiek (Chiang legde de nadruk op verdediging, Stilwell stond voor een meer offensieve aanpak) en de negatieve opinie, die Stilwell had over de efficiency van het nationalistische leger en regeringsapparaat. Bovendien stond Stilwell later niet geheel onsympathiek tegenover de communistische strijders, die meer gedisciplineerd en vechtlustig leken. Stilwell werd tenslotte onder druk van Chiang Kai-shek in 1944 door president Roosevelt teruggeroepen.
Conferentie van geallieerden in Cairo

 

 

 

 


 

 

 

Chian Kai-shek, Roosevelf en Churchil tijdens de Cairo-conferentie (1944).

Toen de Amerikanen er eenmaal in geslaagd waren een doorbraak via de Stille Zuidzee te forceren en zo in staat waren het Japanse vasteland met zware bommenwerpers te bestoken, werd het Chinese oorlogstheater voor Amerika van veel minder belang.

Chiang Kai-shek

De plotselinge capitulatie van Japan na de inzet van atoomwapens door de Amerikanen in augustus 1945 veroorzaakte een onverwacht machtsvacuüm in de door Japan bezette delen van China.

Chiang Kai-shek (ca. 1943)

Burgeroorlog (1945-1949)
Zowel de nationalisten als de communisten haastten zich om zoveel mogelijk gebieden van de verslagen Japanners over te nemen, wapens en industriële goederen te pakken te krijgen en een goede uitgangspositie te verwerven voor de verwachte onderhandelingen over de toekomst van China. De nationalisten konden gedeeltelijk op de hulp van de Amerikanen rekenen, de communisten werden gesteund door de Sovjet-Unie, die een paar weken voor de capitulatie aan Japan de oorlog verklaard had. Bij deze race kwam het spoedig tot militaire confrontaties tussen beide partijen. Een poging tot bemiddeling door de Amerikanen (missie van generaal George Marshall in december 1945) mocht niet baten.

Aanvankelijk leken de nationalisten door hun numerieke meerderheid, modernere wapens en steun van de Amerikanen de wedloop te winnen. Door slecht leiderschap, corruptie en onderlinge wantrouwen in het nationalistische kamp tijdens en na de oorlog met Japan had de bevolking echter nog maar zeer weinig op met de nationalistische zaak. In de door de nationalisten beheerste gebieden kwamen alle zwakheden bekend uit de voorgaande jaren weer naar boven: Inflatie, ondoelmatigheid, vriendjespolitiek en corruptie maakten het onmogelijk een stabiel bestuur op te bouwen dat op de daadwerkelijke steun van de bevolking kon rekenen.
De communisten deden het veel beter bij de bevolking. Het leger van de CCP, vanaf 1 mei 1946 omgedoopt tot 'Volksbevrijdingsleger' (PLA), veroverde onder leiding van Lin Biao in 1948 het gehele noord-oosten van China.

Lin Biao

Lin Biao (1907-1971)

Tegen deze achtergrond moesten de nationalisten steeds meer nederlagen incasseren. In 1949 vielen alle belangrijke steden in handen van de PLA. Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong in Peking op het plein van de Hemelse Vrede (Tian An Men) de Volksrepubliek uit.
Chiang Kai-shek zag het door zijn Guomindang beheerste territorium steeds verder slinken. In december 1949 vluchtte Chiang naar Taiwan. Hij werd daarbij vergezeld door overblijfselen van het regeringsapparaat en honderdduizenden soldaten en andere aanhangers, in het totaal ongeveer 2 miljoen mensen. Hiermee was het territorium van de republiek geslonken tot het eiland Taiwan en nog enkele andere kleine eilanden voor de Chinese kust. Het lag in de verwachting dat Chiang ook spoedig uit deze laatste steunpunten verdreven zou worden. De nationalisten werden echter op het laatste nippertje gered van de nederlaag door militair ingrijpen van de Amerikanen na het uitbreken van de Koreaanse oorlog in 1950. Aan de geschiedenis van Taiwan voor en na de gebeurtenissen in 1949 is een aparte pagina gewijd. De huidige regering in Taiwan beschouwt zichzelf als legitieme opvolger van de regering van Chinese republiek en voert nog steeds haar naam (R.O.C., Republic of China) en vlag.



Laatst gewijzigd op: 25-5-2010
 
Gerelateerde pagina's  
Anti-afscheidingswet China: Taiwan bezorgd
Chinees Nieuwjaar: extra vluchten naar Taiwan
En plotseling was Taiwanese vlag in straten Olympisch Londen verdwenen
portretten: eerste helft 20e eeuw
Taiwan deel van China?
Taiwan: Chinese Taipei tijdens internationaal (sport) optreden
Taiwanese minister: pleidooi toelating WHO
UNPO Conferentie over China-Taiwan
reageren op artikelreageren
Kijk ook eens op:
Bijzondere reizen 2013/2014
China webshop Zaiton
Ikleerchinees.nl
advertenties cultuur

 



Tip! Wilt u CHINEES LEREN? Ikleerchinees.nl / Geledraak.nl biedt doorlopend diverse cursussen aan, gegeven door professionele, ervaren docenten. Locatie: Haarlem-Zuid/Heemstede. Goed bereikbaar met trein.
Lees hier meer...

Het weer in Beijing